De kans om bij de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 het lijfrenteregime eens grondig te saneren, werd niet benut. Met ingang van 1 januari 2001 kwam voor lijfrentes de vermogensrendementsheffing in box 3 in de plaats van de saldomethode. Eerbiedigende werking werd slechts gedeeltelijk gegeven. Om aankondigingseffecten te voorkomen is er voor het overgangsrecht een scheiding aangebracht per 14 september 1999, de datum dat het wetsvoorstel Belastingplan 2001 werd ingediend bij de Tweede Kamer. Tijdens de parlementaire behandeling werd geregeld dat er voor op 13 september 1999 bestaande contracten geen boxsplitsing hoefde plaats te vinden als de niet-aftrekbare premie met ingang van 14 september 1999 lager was dan € 2.269 (f 5.000) per jaar. Beneden dat bedrag viel de lijfrente geheel in box 1 en was de saldomethode van toepassing. Als gevolg hiervan werd het overgangsrecht nog gecompliceerder. Afgezien van het overgangsrecht, kan een lijfrente dus met ingang van 1 januari 2001 in twee boxen tegelijk zitten. De politiek wuifde destijds alle bezwaren weg dat het te ingewikkeld werd, maar komt nu tot de conclusie dat aanpassing van de wet geboden is.
Twee systemen tot 1 januari 2001
Tot 1 januari 2001 was de systematiek voor belastbaarheid van lijfrente-uitkeringen nog tamelijk overzichtelijk. Er golden tot 1 januari 2001 twee verschillende systemen:
1. integrale heffing over de termijnen als volledige premieaftrek had plaatsgevonden, en
2. de saldomethode indien en voor zover geen of geen volledige premieaftrek had plaatsgevonden.
Bij de saldomethode zijn de eerste uitkeringen onbelast totdat het bedrag van de niet in aftrek gekomen premies of koopsom is goedgemaakt. Zodra dit bedrag is bereikt, zijn de resterende uitkeringen volledig belast.
Vanaf 2001 soms splitsing lijfrente tussen box 1 en box 3
Met ingang van 1 januari 2001 is de vermogensrendementsheffing ingevoerd. Als gevolg daarvan kan een lijfrente gedeeltelijk in box 1 zitten voor zover er premieaftrek heeft plaatsgevonden, en gedeeltelijk in box 3 voor zover geen premieaftrek heeft plaatsgevonden. De splitsing die dan fiscaal moet worden gemaakt, leverde de verzekeringsmaatschappijen, de Belastingdienst en ook sommige burgers nogal wat problemen op.
Voor lijfrenten die onder de huidige wet in principe in aanmerking komen voor premieaftrek, is daar per 1 januari 2009 al iets aan gedaan. Voor de oude kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule en lijfrenten van voor de Brede Herwaardering is per 1 januari 2010 een vergelijkbaar regime ingevoerd.
Vanaf 2010 lijfrente volledig in box 1
Ook kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule en lijfrenten uit dezelfde tijd (van voor 1992) vallen nu alleen nog maar in box 1, ook als er geen of onvolledige premieaftrek heeft plaatsgevonden. Als tegemoetkoming voor de dubbele heffing die daardoor mogelijk ontstaat, is de saldomethode gedeeltelijk opnieuw ingevoerd.
De eerste uitkeringen zijn onbelast tot het volgende bedrag is goedgemaakt: alle niet-afgetrokken premies tot en met 31 december 2009 plus de niet-afgetrokken premies betaald met ingang van 2010, voor zover deze premies althans lager zijn dan € 2.269 per jaar. De vermogensrendementsheffing betaald in de jaren 2001 t/m 2009 wordt niet teruggegeven. Als u een lopend contract heeft dat weliswaar kwalificeert voor premieaftrek, maar waarop toch € 2.269 of meer per jaar aan niet-aftrekbare premie wordt betaald, kunt u actie overwegen om dubbele heffing in de toekomst te voorkomen.
Tot slot
Verzekeraars brengen bij polismutaties zoals premieverlaging of premievrijmaking vaak hoge en soms verborgen kosten in rekening. Het is verstandig om u daarover goed te laten informeren voordat u een besluit neemt. Hoewel die kosten ontstaan doordat bij de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 niet goed genoeg is nagedacht, vindt de politiek dat in principe uw probleem, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald? Het wordt er misschien iets gemakkelijker op, maar beslist niet leuker of eerlijker.
Contact: Marlies Kastelein