Advocaat-generaal Wattel heeft onlangs zijn advies gegeven aan de Hoge Raad in een door KPMG Meijburg & Co aangespannen procedure. Daarbij komt hij tot de conclusie dat woningcorporaties in beginsel kunnen worden gekwalificeerd als algemeen nut beogende instelling. In de procedure is aan de orde of een winstgevende dochtermaatschappij van een woningcorporatie de winstuitkering die zij aan die woningcorporatie heeft gedaan, in aftrek kan brengen op haar belastbare winst op grond van een bepaling in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
Ook aan de andere voorwaarden van de desbetreffende bepaling wordt volgens de advocaat-generaal voldaan. Hierdoor kan de aftrek worden toegepast vanaf het moment dat de dochtermaatschappij zich schriftelijk tot de winstuitkering heeft verplicht. Gevolg van de aftrek is dat heffing van vennootschapsbelasting kan worden voorkomen bij zowel de dochtermaatschappij als de woningcorporatie.
De advocaat-generaal is een onafhankelijk adviseur van de Hoge Raad. In de meerderheid van de gevallen volgt de Hoge Raad zijn advies op. Mocht de Hoge Raad zijn advies opvolgen, dan heeft dit niet alleen gevolgen voor woningcorporaties die een vergelijkbare structuur hebben opgezet met een winstgevende dochtermaatschappij.
Ook woningcorporaties die zelf in een winstpositie zitten en in datzelfde jaar 'volkshuisvestelijke' uitgaven hebben gedaan, zoals onrendabele investeringen in sociale huurwoningen voor ten minste het bedrag aan belastbare winst, lijken een aftrekpost te kunnen claimen.
Verder betekent deze conclusie goed nieuws voor de zorg- en ouderencorporaties die een beroep hebben gedaan op een vrijstelling in de Wet Vpb, en voor woningcorporaties die voor hun onrendabele investeringen een beroep hebben gedaan op de herbestedingsreserve. Voor beide bepalingen is namelijk van belang dat sprake is van het dienen van het algemeen dan wel het maatschappelijk belang.