Op 29 november 2011 heeft het Europese Hof van Justitie in Luxemburg (HvJ) arrest gewezen in de zaak National Grid Indus (C-317/10). De zaak betrof de eindheffing die Nederland oplegde aan een Nederlandse vennootschap die haar feitelijke leiding verplaatste van Nederland naar Groot-Brittannië. Het HvJ besliste dat een eindheffingsregeling, waarbij meteen moet worden afgerekend over de latente meerwaarden bij verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap naar een andere lidstaat, niet aan het evenredigheidsbeginsel voldoet en daarom strijdig is met EU-recht.
Feiten
De zaak betreft een bv die tot 15 december 2000 haar werkelijke leiding had in Nederland. Deze bv is sinds 1996 houdster van een vordering van £ 33.113.000 op een groepsvennootschap die is gevestigd in Groot-Brittannië. Door een koersstijging van het Britse pond ten opzichte van de Nederlandse gulden bedroeg de latente koerswinst op 15 december 2000 ruim f 22 miljoen. Op die datum heeft de bv haar bestuurszetel naar Groot-Brittannië verplaatst. Op grond van het belastingverdrag tussen beide landen werd de bv na de zetelverplaatsing beschouwd als inwoner van Groot-Brittannië. Aangezien de bv na haar zetelverplaatsing geen vaste inrichting in Nederland had, kwam het heffingsrecht over de door deze vennootschap genoten winst uit onderneming krachtens het belastingverdrag uitsluitend toe aan Groot-Brittannië.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft toepassing van het belastingverdrag tot gevolg dat de bv ophield belastbare winst te genieten uit haar onderneming in Nederland. Daardoor moest op grond van artikel 8 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) juncto artikel 16 van de Wet inkomstenbelasting 1964 (thans artikel 3.60 Wet IB 2001 respectievelijk artikel 15c Wet Vpb 1969) een eindafrekening plaatsvinden over de ten tijde van de zetelverplaatsing aanwezige meerwaarden. Dit is waarom de inspecteur zich op het standpunt stelde dat de bv over de latente koerswinst moest worden belast.
De bv is hiertegen in beroep gegaan bij Rechtbank Haarlem, die het standpunt van de inspecteur heeft bevestigd. De bv heeft daarop hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld bij Hof Amsterdam. Dit hof is van oordeel dat de eindafrekeningsheffing over de verplaatsing van de zetel van de bv van de ene lidstaat naar de andere een belemmering vormt voor de uitoefening van het recht op vrije vestiging.
Niettemin zou het zo kunnen zijn dat de nationale maatregel kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, in het bijzonder door het territorialiteitsbeginsel, verbonden met een temporele component. Om hierover uitsluitsel te krijgen, besluit het hof een aantal vragen aan het HvJ te stellen, meer specifiek of de eindafrekening in strijd is met de vrijheid van vestiging. En zo ja, of deze heffing zou kunnen worden gerechtvaardigd door de noodzaak tot een verdeling van de heffingsbevoegdheden tussen lidstaten.
Arrest HvJ
Het HvJ besliste dat de vennootschap de vrijheid van vestiging kan inroepen om de eindafrekening te bestrijden die Nederland oplegde bij het verplaatsen van de werkelijke leiding naar een andere lidstaat. Hierbij achtte het HvJ relevant dat de verplaatsing van de werkelijke leiding niet de hoedanigheid van vennootschap naar Nederlands recht aantast.
Het HvJ wees erop dat bij het verplaatsen van de werkelijke leiding binnen Nederland geen heffing optreedt over de latente meerwaarden en verbond daaraan de conclusie dat dit verschil in behandeling een liquiditeitsnadeel oplevert dat een Nederlandse vennootschap ontmoedigt om haar werkelijke leiding naar een andere lidstaat te verplaatsen. Dit vormt een beperking van de vrijheid van vestiging.
Het HvJ besliste ook dat het opleggen van een eindheffing kan zijn gerechtvaardigd in het licht van handhaving van de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten. De evenredigheid van de Nederlandse eindheffing moet volgens het HvJ worden beoordeeld om te bepalen in hoeverre deze maatregel verenigbaar is met EU-recht. Hiertoe moet een onderscheid worden gemaakt tussen het moment waarop de verschuldigde belasting wordt vastgesteld en het moment van inning. Voor het eerste moment constateert het HvJ dat lidstaten een eindheffing mogen opleggen over de latente meerwaarden die aanwezig zijn binnen de vennootschap op het moment van verplaatsing, zonder rekening te hoeven houden met later optredende waardeverminderingen. De nationale wetgeving moet belastingplichtigen echter wel de keuze bieden tussen:
1. het meteen betalen van de verschuldigde belasting op grond van de eindheffing wanneer de vennootschap haar werkelijke leiding verplaatst naar een andere lidstaat;
2. het krijgen van uitstel van betaling tot het moment waarop de meerwaarden daadwerkelijk worden gerealiseerd.
Het eerste alternatief biedt volgens het HvJ het voordeel van het wegvallen van de administratieve last om de desbetreffende activa te moeten volgen totdat de meerwaarden worden gerealiseerd. Het tweede alternatief neemt het liquiditeitsnadeel weg dat samenhangt met het meteen moeten betalen van de verschuldigde belasting. Het HvJ is verder van opvatting dat de lidstaten onder het tweede alternatief rente mogen berekenen over het bedrag aan verschuldigde belasting waarvoor uitstel van betaling is verkregen.
Het HvJ besliste dat een eindheffingsregeling, waarbij meteen moet worden afgerekend over de latente meerwaarden bij verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap naar een andere lidstaat, niet aan het evenredigheidsbeginsel voldoet en daarom strijdig is met EU-recht. In tegenstelling tot zijn eerdere beslissing in de N-zaak (C470/04) besliste het HvJ in de National Grid-zaak dat een eindheffingsregeling waarbij geen rekening wordt gehouden met later optredende waardeverminderingen van de desbetreffende activa, niet strijdig is met de vrijheid van vestiging. Het HvJ wees erop dat de twee zaken verschillend zijn: de N-zaak had betrekking op de aandelen in een vennootschap, terwijl het bij National Grid ging om de activa van een vennootschap.
Commentaar KPMG Meijburg & Co
Op grond van dit arrest moeten wij het volgende concluderen:
· De Nederlandse vennootschapsbelastingwet moet worden aangepast. De belastingplichtige zal een keuze moeten worden geboden om de belasting op de latente meerwaarde bij emigratie op dat moment te betalen dan wel op het moment van realisatie.
· In tegenstelling tot het arrest in de N-zaak hoeft Nederland geen vermindering van de vastgestelde grondslag te verlenen voor waardedalingen die zich voordoen na emigratie.
· In het kader van de infractieprocedures die door de Europese Commissie zijn gestart, kan deze beslissing van het HvJ relevant zijn voor andere lidstaten die een eindheffing opleggen, zoals Portugal, Spanje en Ierland.