Deze site maakt gebruik van cookies. Lees onze policy.

Beslissing van het Europese Hof van Justitie over (Franse) dividendbelasting aan buitenlands beleggingsfonds 

 

10-5-2012 

Op 10 mei 2012 heeft het Europese Hof van Justitie in Luxemburg (HvJ EG) arrest gewezen in de gevoegde zaken Santander e.a. Deze gaan over het niet toekennen van een vrijstelling voor Franse bronbelasting over dividenden betaald aan buitenlandse beleggingsfondsen. Het Hof oordeelde dat dit in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer.

Feiten
De voorgelegde zaken gaan over beleggingsfondsen uit België, Duitsland, Spanje en de Verenigde Staten die voornamelijk beleggen in Franse vennootschappen en daaruit dividenden ontvangen. In Frankrijk zijn deze dividenden belast met 25% bronheffing, ongeacht of een beleggingsfonds in een andere lidstaat is gevestigd of in een derdeland. Dit terwijl betalingen van dividend aan Franse beleggingsfondsen zijn vrijgesteld van belasting. De buitenlandse beleggingsfondsen stellen dat dit onderscheid in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer, wat door de Franse fiscus wordt afgewezen. De Franse rechter is het in zoverre met de beleggingsinstellingen eens dat Frankrijk buitenlandse beleggingsfondsen met deze regeling benadeelt. Naar het oordeel van de nationale rechter is de regeling slechts toelaatbaar indien (1) geen sprake is van objectief vergelijkbare situaties of (2) de beperking door een dwingende reden van algemeen belang kan worden gerechtvaardigd.

Om dit te kunnen vaststellen, legt de Franse rechter twee vragen voor aan het HvJ EG:

1.     Moet naast de fiscale behandeling van de beleggingsinstellingen zelf ook de fiscale behandeling van de deelnemers in die beleggingsinstellingen in de vergelijking worden betrokken?

2.     Zo ja, onder welke voorwaarden is de bronheffing in overeenstemming met het vrije kapitaalverkeer?

Arrest HvJ EG
Over de eerste vraag merkt het HvJ EG op dat Frankrijk de bronheffing over de dividenden die door Franse vennootschappen worden uitgekeerd uitsluitend laat afhangen van de vestigingsplaats van de beleggingsinstelling: alleen van niet-ingezeten beleggingsfondsen wordt een bronheffing ingehouden op de dividenden die zij ontvangen. De fiscale behandeling van de deelnemers in de beleggingsinstellingen is volgens het HvJ EG dus niet van belang voor de beoordeling of de regeling discriminerend is.

De Franse regeling veronderstelt dat deelnemers in Franse beleggingsfondsen in Frankrijk wonen, terwijl deelnemers van niet in Frankrijk gevestigde fondsen wonen in de lidstaat waar het betreffende fonds is gevestigd. Zo zouden de door Frankrijk afgesloten belastingverdragen met andere lidstaten en derdelanden garanderen dat deelnemers van Franse fondsen en buitenlandse fondsen fiscaal gelijk worden behandeld. Het HvJ EG overweegt dat dit een onjuiste veronderstelling is, omdat het niet ongebruikelijk is dat een inwoner van Frankrijk deelnemer is in een buitenlands fonds of dat een deelnemer in een Frans fonds inwoner is van een andere lidstaat of een derdestaat. Het verdragsargument klopt evenmin, omdat Frankrijk de voorkoming van dubbele belasting overlaat aan de andere lidstaten of derdelanden, en zelf niets doet om de ongelijkheid weg te nemen. Bovendien worden de aan buitenlandse fondsen betaalde Franse dividenden belast met 25% bronheffing, ongeacht de fiscale situatie van de deelnemers.

Gezien het voorgaande komt het HvJ EG tot de tussenconclusie dat de objectieve vergelijkbaarheid alleen op het niveau van het beleggingsvehikel moet worden uitgevoerd. Dat wil zeggen: op de directe aandeelhouder, namelijk het beleggingsfonds zelf, en dus niet (mede) op het niveau van de deelnemers.

Beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer
Het HvJ EG beslist dat de Franse regeling een beperking van de vrijheid van kapitaalverkeer oplevert.

Rechtvaardiging en proportionaliteit
Het HvJ EG wijst alle argumenten af die worden aangedragen ter rechtvaardiging van de Franse regeling, allemaal met een verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak. Zo wordt de handhaving van een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden tussen de lidstaten niet geaccepteerd, omdat de Franse regeling er nu juist voor zorgt dat bij binnenlandse fondsen niet wordt geheven over dividenden die zij ontvangen (de fiscale behandeling van deelnemers blijft immers buiten beschouwing). Ook argumenten gebaseerd op de doeltreffendheid van de fiscale controles en op de coherentie van het Franse belastingstelsel worden niet aanvaard.

Voor wat betreft het kapitaalverkeer in verhouding met derdelanden gaat het HvJ EG niet in op deze rechtvaardigingsgronden. Uitzondering daarop is de opmerking dat Frankrijk zich in zoverre slechts heeft beroepen op de doeltreffendheid van de fiscale controles, waarbij geen gegevens zijn aangedragen die aantonen hoe dergelijke controles een belasting zouden kunnen waarborgen die uitsluitend en specifiek buitenlandse fondsen treft.

Tot slot wijst het HvJ EG een verzoek van Frankrijk af om de werking van het arrest in de tijd te beperken, omdat hem niet is gebleken van een risico op ernstige economische gevolgen voor Frankrijk.

Gevolgen voor Nederland
Het arrest is niet zozeer van belang voor in Nederland gevestigde vennootschappen en beleggingsinstellingen die zelf dividend uitkeren. Wel kan het relevant zijn voor in Nederland gevestigde fiscale en vrijgestelde beleggingsinstellingen die dividenden waarop dividendbelasting is ingehouden ontvangen uit een andere EU-lidstaat, indien in die laatste een soortgelijke regeling van toepassing is als de Franse in de onderhavige zaak.