Op donderdag 28 januari 2010 heeft advocaat-generaal Mengozzi van het Hof van Justitie (HvJ) conclusie genomen in gevoegde zaken over de in Nederland geldende btw-aftrekcorrectie voor personeelsvoorzieningen op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (de zogenoemde BUA-regeling). De BUA-correctie voor onder andere auto's van de zaak is naar zijn mening toegestaan.
In Nederland geldt voor de verstrekking van personeelsvoorzieningen, waaronder het privégebruik van de auto van de zaak, boven een drempelbedrag van € 227 per persoon per jaar een beperking van de btw-aftrek op de kosten van die personeelsvoorzieningen.
Deze aftrekbeperking vormt een afwijking van de Europese btw-regels. Volgens deze wordt de verstrekking van personeelsvoorzieningen namelijk gelijkgesteld met een prestatie tegen vergoeding aan een derde. De ondernemer is over deze zogenoemde interne prestatie btw verschuldigd, maar heeft daartegenover wel recht op btw-aftrek over de gemaakte kosten. De methode van heffing is dus verschillend. Daarnaast kent de Europese regeling geen drempelbedrag. Per saldo drukt echter volgens zowel de Nederlandse als de Europese regeling btw op de verstrekte personeelsvoorzieningen.
De Nederlandse afwijking is binnen het Europese btw-systeem slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een daarvan is dat de aftrekbeperking geen algemeen karakter mag hebben, maar dat het moet gaan om voldoende nauwkeurig bepaalde categorieën goederen en diensten. De Nederlandse regeling (het BUA) noemt echter slechts enkele heel algemene groepen van uitgaven. Daarnaast worden deze slechts gedeeltelijk uitgesplitst in specifieke categorieën goederen en diensten.
Vragen aan het HvJ
Op 14 november 2008 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de BUA-regeling. De Hoge Raad oordeelde dat de regeling voor loon in natura in het algemeen strijdig is met het EG-recht. Voor een specifiek onderdeel (het privégebruik van de auto van de zaak) vond de Hoge Raad de situatie onduidelijk. Daarom heeft hij hierover vragen gesteld aan het HvJ. In de tussentijd heeft ook Hof Amsterdam, in navolging van de Hoge Raad, op 11 februari 2009 enkele vragen gesteld over het BUA. Het HvJheeft vervolgens besloten beide zaken samen te behandelen.
Conclusie A-G
Op donderdag 28 januari 2010 heeft advocaat-generaal (A-G) Mengozzi van het HvJ conclusie genomen in beide gevoegde zaken. Na een analyse van de indertijd geldende Tweede en later Zesde richtlijn (voorlopers van de huidige BTW-richtlijn) komt Mengozzi tot de conclusie dat de systematiek die gold voor de invoering van de Tweede en Zesde richtlijn voor de correctie voor privégebruik nog steeds van toepassing is, omdat nog geen geharmoniseerd systeem bestaat voor btw-aftrek bij privégebruik. Een van de voorwaarden voor toepassing van de systematiek uit de Zesde richtlijn is dat er een systeem komt voor de uit te sluiten categorieën. Dit is tot op heden niet gebeurd.
Daarna gaat Mengozzi in op de vraag of de genoemde onderdelen specifiek genoeg zijn bepaald, omdat dit een voorwaarde is om de regeling toe te passen. Hij komt tot de conclusie dat dit zo is voor de volgende categorieën:
· "het aan het personeel van de werkgever gelegenheid geven tot privévervoer";
· "het verstrekken van spijzen en dranken aan het personeel van de werkgever";
· "het aan het personeel van de werkgever verlenen van huisvesting".
Aan de voorwaarde is niet voldaan bij de volgende twee categorieën:
· "aan het personeel van de werkgever geven van gelegenheid tot ontspanning";
· "het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake omzetbelasting in rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen".
Dit betekent dus dat de BUA-correctie voor onder andere auto's van de zaak naar zijn mening is toegestaan. Het is nu afwachten tot het HvJ het finale oordeel velt.