Europese Commissie daagt Nederland voor het Europese Hof van Justitie vanwege eindheffing 

 

26-11-2010 

De Europese Commissie heeft besloten Nederland en enkele andere EU-lidstaten voor het Europese Hof van Justitie (HvJ) te dagen. Reden is de belastingwetgeving die een onmiddellijke eindheffing oplegt aan ondernemingen die hun zetel, vaste inrichting of activa naar een andere lidstaat verplaatsen. Voor zover vergelijkbare binnenlandse transacties niet tot eindheffing leiden, zijn deze bepalingen volgens de Commissie onverenigbaar met de vrijheid van vestiging zoals eerder door het HvJ uitgelegd in vergelijkbare zaken. De Commissie heeft dit bekendgemaakt in een persbericht op 24 november 2010. Dit besluit volgt op een met redenen omkleed advies om de wet aan te passen en vormt de derde stap in een al lopende inbreukprocedure die door de Commissie is gestart tegen Denemarken, Nederland en Spanje.  

Het gaat daarbij om belastingheffing over ongerealiseerde vermogenswinsten wanneer een vennootschap haar woonplaats wijzigt, haar vaste inrichting verplaatst of activa overbrengt naar een andere lidstaat. Voor Nederland gaat het in deze zaak met name om de volgende bepalingen in de vennootschapsbelasting:  

·        Afrekening over vermogensbestanddelen die zijn overgebracht naar een door de belastingplichtige gedreven onderneming buiten Nederland indien de vennootschap haar werkelijke leiding overbrengt naar het buitenland (partiële eindafrekening).

·        Eindafrekening bij, onder andere, overbrenging van vermogensbestanddelen wanneer de feitelijke leiding van de vennootschap zich in het buitenland bevindt.

De Commissie baseert haar standpunt op het EU-Verdrag zoals uitgelegd door het HvJ in de zaak Lasteyrie du Saillant (11 maart 2004, C-9/02) en de zaak N (7 september 2006, C-470/04), en op haar mededeling over exitheffingen uit december 2006. Het is niet toegestaan reeds ontstane, maar nog niet gerealiseerde meerwaarden op het tijdstip van vertrek onmiddellijk te belasten wanneer in vergelijkbare binnenlandse situaties geen soortgelijke eindafrekening wordt opgelegd. Uit deze arresten volgt dat de lidstaten de inning van hun belastingen moeten uitstellen tot het tijdstip waarop de meerwaarden daadwerkelijk worden gerealiseerd.

Commentaar KPMG Meijburg & Co
In voorkomende gevallen waarbij de aanslag nog niet definitief is vastgesteld, is het zaak tijdig bezwaar te maken tegen de desbetreffende aanslag. Een andere optie is in een reeds lopende procedure alsnog het standpunt in te nemen dat de aanslag (tevens) in strijd is met Europees recht op grond van de hiervoor genoemde procedure. Acties van de Europese Commissie wegens verdragsinbreuk hebben namelijk geen opschortende werking.

Verder is het nog interessant om te vermelden dat in een uitspraak van 15 juli 2010 het Gerechtshof Amsterdam aan het HvJ prejudiciële vragen heeft gesteld over de geoorloofdheid van deze eindheffing in het licht van de vrijheid van vestiging. Deze procedure betreft een Nederlandse vennootschap die eind 2000 haar feitelijke leiding naar Groot-Brittannië heeft verplaatst (National Grid Indus BV, C-371/10). Ter gelegenheid daarvan heeft de inspecteur met toepassing van de eindheffingsbepaling de op dat moment in de vennootschap aanwezige meerwaarde in de heffing van vennootschapsbelasting betrokken. Belanghebbende bestrijdt de geoorloofdheid van deze fiscale eindafrekening op basis van mogelijke strijdigheid met de vrijheid van vestiging. De zittingsdatum bij het HvJ is nog niet vastgesteld.