Hof Den Bosch beperkt heffingsrente tot zes weken na verzoek om voorlopige aanslag 

 

14-1-2010 

Bij het opleggen van een aanslag of voorlopige aanslag wordt heffingsrente berekend vanaf het einde van het belastingjaar tot het moment van opleggen van de (voorlopige) aanslag. Uit recente rechtspraak blijkt dat de Belastingdienst zorgvuldig te werk moet gaan, zodat de heffingsrente voor de belastingplichtigen beperkt kan blijven.

In een zaak voor het gerechtshof Den Bosch had de belastingplichtige op 12 juli 2007 via een schattingsdiskette verzocht om een voorlopige aanslag. Zij had op 1 juni 2007 een hoge bate ontvangen en wilde de daarover verschuldigde inkomstenbelasting sneller betalen, zodat de heffingsrente niet door zou lopen. In 2007 werd de heffingsrente namelijk nog berekend vanaf 1 juli en niet vanaf het einde van het belastingjaar. De voorlopige aanslag werd pas ruim vijf maanden na het verzoek opgelegd, op 27 december 2007. Het gerechtshof oordeelde dat dit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. De belastingplichtige en haar adviseur hadden herhaaldelijk telefonisch contact met de Belastingdienst gehad en aangedrongen op een snelle afhandeling. De Belastingdienst stelde dat hij niet sneller een voorlopige aanslag kon opleggen. Het gerechtshof nam daar geen genoegen mee en oordeelde dat de inspecteur meer rekening had moeten houden met de belangen van de belastingplichtige. Het beperkte vervolgens de periode waarover de rente kan worden berekend tot zes weken na het verzoek. Dat is volgens het gerechtshof een redelijke verwerkingstermijn.

Hoge Raad beperkte eerder al de periode waarover heffingsrente mag worden berekend
Deze uitspraak ligt op één lijn met een uitspraak van de Hoge Raad uit september 2009 waarin deze besliste dat slechts heffingsrente kan worden berekend tot maximaal drie maanden na het indienen van de aangifte. In dit geval beperkte de Hoge Raad de periode waarover heffingsrente mag worden berekend. In de wetsgeschiedenis was namelijk beloofd dat binnen drie maanden na het indienen van een aangifte een voorlopige aanslag zou volgen.

Belastingdienst moet zorgvuldig werken
Deze rechtspraak laat zien dat de Belastingdienst bij het afhandelen van aangiften en verzoeken om een voorlopige aanslag rekening moet houden met de belangen van de belastingplichtige. Daarbij moet hij vermijden dat een belastingplichtige te veel heffingsrente moet betalen. Doet de Belastingdienst dat niet, dan loopt hij het risico in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel te handelen. De rechter kan de heffingsrente dan beperken.