De Hoge Raad heeft beslist dat slechts heffingsrente kan worden berekend tot maximaal drie maanden na indienen van de aangifte. Een langere periode zou in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De zaak betrof een belastingplichtige die op 30 juni 2004 aangifte inkomstenbelasting had gedaan over het jaar 2003. De inspecteur heeft uiteindelijk pas op 15 april 2005 de aanslag conform aangifte opgelegd en daarbij € 160 aan heffingsrente in rekening gebracht over de periode 1 januari 2004 tot en met 15 april 2005. Dit was in overeenstemming met de wettelijke regeling van dat moment. Bij het opleggen van een aanslag of voorlopige aanslag wordt heffingsrente berekend vanaf het einde van het belastingjaar tot het moment van opleggen van de (voorlopige) aanslag. De belastingplichtige was het hier echter niet mee eens. Hij vond dat de inspecteur te lang had gewacht met het opleggen van de aanslag, waardoor hij te veel heffingsrente moest betalen. De zaak kwam uiteindelijk voor de Hoge Raad.
Toezegging parlementaire geschiedenis
De Hoge Raad geeft de belastingplichtige gelijk en wijst daarbij op de toezegging van de staatssecretaris van Financiën in het parlement. Bij de behandeling van het heffingsrenteregime had de staatssecretaris namelijk uitgelegd dat het uitgangspunt is om binnen drie maanden na de aangifte een aanslag of anders een voorlopige aanslag op te leggen. In het berechte geval is de periode waarover heffingsrente is verschuldigd dan maximaal 1 januari 2004 tot en met 30 september 2004. Heffingsrente over een langere periode berekenen is volgens de Hoge Raad, gezien de toezegging in de parlementaire geschiedenis, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Een langere periode is slechts mogelijk als het aan de belastingplichtige te wijten is dat de driemaandstermijn wordt overschreden. Daarvan was in het berechte geval echter geen sprake.
Verstrekkende gevolgen
Op dit moment is voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting wettelijk geregeld dat de heffingsrente is verschuldigd vanaf het midden van het kalenderjaar (1 juli) tot het moment van opleggen van de (voorlopige) aanslag. De gevolgen van het arrest zijn verstrekkend omdat het arrest de wettelijke regeling voor een deel opzij schuift. Met het arrest in de hand kunnen belastingplichtigen bezwaar aantekenen tegen heffingsrente begrepen in aanslagen waarvoor de bezwaartermijn nog niet is verstreken voor zover heffingsrente wordt berekend over een langere periode dan de Hoge Raad voorschrijft.
Overigens is in het Belastingplan 2010 voorgesteld om vanaf het belastingjaar 2010 weer terug te gaan naar de oude systematiek en de aanvangsdatum voor de heffingsrente te verschuiven van 1 juli van het lopende belastingjaar naar 1 januari van het daaropvolgende belastingjaar.