In een arrest van 2 oktober 2009 heeft de Hoge Raad grensoverschrijdende verliesverrekening tussen een in Nederland gevestigde – winstgevende – moedermaatschappij en haar in Duitsland gevestigde – verlieslijdende – dochtermaatschappij afgewezen. Onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 15 mei 2008 in de zaak Lidl Belgium oordeelt de Hoge Raad dat de Nederlandse weigering om een dergelijke verliesaftrek toe te staan, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
In de berechte casus was slechts de vraag naar de (on)mogelijkheid van grensoverschrijdende verliescompensatie aan de orde. Belanghebbende beschikte niet over een (grensoverschrijdende) fiscale eenheid en had daar ook niet om verzocht. De (on)mogelijkheid om een grensoverschrijdende fiscale eenheid te kunnen krijgen, stond in dit arrest dan ook niet ter discussie.
Vragen aan het Europese Hof van Justitie
In een eerdere procedure waarin de Belastingdienst grensoverschrijdende verliesverrekening tussen een in Nederland gevestigde – winstgevende – moedermaatschappij en haar in België gevestigde – verlieslijdende – dochtermaatschappij had geweigerd, ging het uitdrukkelijk wel om de vraag naar de (on)mogelijkheid van een grensoverschrijdende fiscale eenheid. In deze procedure heeft de Hoge Raad op 11 juli 2008 besloten prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie over de vraag of de Nederlandse weigering om een grensoverschrijdende fiscale eenheid toe te staan, wel of niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2009 valt dan ook weinig af te leiden over de mogelijke uitkomst van de procedure die nu nog bij het Europese Hof van Justitie voorligt.