De Hoge Raad heeft recentelijk in een zaak die is gevoerd door KPMG Meijburg & Co beslist dat voor de berekening van aftrek ter voorkoming van dubbele belasting een valutaverlies op een concernlening niet in mindering hoeft te worden gebracht op de rente-inkomsten. Zodoende blijft er meer ruimte over om buitenlandse bronheffing op de rente-inkomsten in Nederland te verrekenen.
De casus
De casus betrof een in Nederland gevestigde concernfinancieringsmaatschappij (de bv) die in 2003 een aantal (VS-)dollarleningen had verstrekt aan een in Brazilië gevestigde groepsvennootschap. De bv claimde verrekening van Braziliaanse bronheffing op de interest die zij had ontvangen ter zake van de leningen op de voet van het tussen Brazilië en Nederland geldende belastingverdrag met de in Nederland over de ontvangen rente verschuldigde vennootschapsbelasting. Op de hoofdsom van de dollarleningen had de bv uitgedrukt in euro’s echter aanzienlijke valutakoersverliezen geleden. De inspecteur was van mening dat deze koersverliezen moesten worden aangemerkt als kosten van interest (rente) die volgens het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting (Besluit) – waarnaar het belastingverdrag op dit onderdeel verwijst – in mindering zouden moeten komen op de rentebaten van de desbetreffende leningen. Daardoor zou de teller van de voorkomingsbreuk kleiner worden en zou de bv minder kunnen verrekenen. De bv was het hiermee niet eens, ging in beroep en kreeg gelijk bij de rechtbank. De uitspraak van de rechtbank bleef in stand bij het hof, waarop de staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie instelde bij de Hoge Raad.
De regeling
Op basis van het belastingverdrag dat in 1990 tussen Brazilië en Nederland is overeengekomen, mag Brazilië ter zake van interest betaald aan een in Nederland gevestigde schuldeiser 15% belasting heffen over het bruto bedrag van de betaalde interest. Vervolgens heeft de schuldeiser in Nederland recht op verrekening van deze belasting met de in Nederland verschuldigde vennootschapsbelasting (eerste limiet). Wanneer echter de aan deze interest toerekenbare Nederlandse vennootschapsbelasting lager is dan het bedrag van de bronheffing, dan mag slechts tot dit lagere bedrag aan belasting worden verrekend (de tweede limiet). Vervolgens wordt in het verdrag voor de wijze van berekening van de toerekenbare Nederlandse vennootschapsbelasting verwezen naar het besluit. Daarin staat dat de verrekening van buitenlandse heffing op interest is gemaximeerd op dat deel van het bedrag aan Nederlandse belasting over het wereldwijde inkomen dat gelijk staat aan de verhouding tussen het bedrag van de buitenlandse interest (teller) en het wereldwijde inkomen (noemer). In deze zogenoemde voorkomingsbreuk moet in de teller worden uitgegaan van een netto benadering, zodat het bedrag van de buitenlandse interest moet worden verminderd met de kosten die verband houden met de interest. De kernvraag in de procedure was of valutaverliezen moeten worden aangemerkt als dergelijke kosten, hetgeen de teller en daarmee het bedrag van de verrekening zou verlagen.
Het arrest
De Hoge Raad heeft de uitspraak van Hof Amsterdam, en ook die van Rechtbank Haarlem, in deze zaak bevestigd. In zijn uitspraak stelde het hof vast dat onder de in de winst begrepen interest hetzelfde inkomensbestanddeel moet worden verstaan als waarover Brazilië onder het belastingverdrag met Nederland belasting mag heffen. Daar horen koersverschillen met betrekking tot de hoofdsom van de lening waaruit die rente wordt ontvangen niet bij. Bovendien wordt in het verdrag gesproken over betaalde interest, zodat ook om die reden koersverschillen niet behoeven te worden meegenomen. Voorts houdt een valutaverlies niet als kosten verband met de interest. Onder ‘kosten’ moeten in dit verband uitsluitend de met de rente-inkomsten gedane lopende uitgaven, zoals beheerskosten en renten wegens financiering van schulden, worden verstaan. Bij deze overwegingen van het hof sluit de Hoge Raad volledig aan.
Commentaar KPMG Meijburg & Co
Een ander punt dat in de procedure door de inspecteur en de staatssecretaris nog werd aangevoerd, was dat rente op leningen in een andere valuta altijd een valutacomponent bevat, zodat er in zoverre wel een verband zou kunnen bestaan tussen een geleden valutaverlies en de ontvangen rente, maar de inspecteur kon deze component niet kwantificeren. Het hof ging veronderstellenderwijs wel op de stelling in en wees die af, maar de Hoge Raad ging er als zijnde niet dragend voor het oordeel van het hof aan voorbij.
We gaan er derhalve van uit dat er nu eindelijk duidelijkheid is: bij de berekening van de teller in de voorkomingsbreuk voor de verrekening van buitenlandse bronheffing spelen behaalde valutaresultaten geen rol. De tweede limiet wordt niet verlaagd met geleden valutaverliezen op de hoofdsom – net zo min als dat de tweede limiet zou worden vergroot met behaalde valutawinsten. Dit geldt niet alleen onder het verdrag met Brazilië, maar ook onder de belastingverdragen die Nederland met andere landen heeft afgesloten (en voor de berekening van de voorkoming verwijzen naar het Besluit) en waarschijnlijk ook in situaties waarin de rente uit een ontwikkelingsland afkomstig is en het Besluit van toepassing is. Overigens heeft de Hoge Raad in 1992 beslist dat kosten ter afdekking van valutarisico’s wel de tweede limiet verlagen, maar in dat geval gaat het dan ook om daadwerkelijk gemaakte kosten die verband houden met de buitenlandse rente-inkomsten.