De Hoge Raad heeft op 30 september 2011 arrest gewezen in een zaak waarin de vraag aan de orde was of de inspecteur een (voorlopige) aanslag mag verminderen door ambtshalve vermindering of dat hij dat moet doen door het opleggen van een nadere (negatieve) voorlopige aanslag. Bij een voorlopige aanslag wordt heffingsrente vergoed, bij een ambtshalve vermindering invorderingsrente. Wat de (voorlopige) aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2005 tot en met 2009 betreft, hebben belastingplichtigen belang bij een nadere (negatieve) voorlopige aanslag in plaats van een ambtshalve vermindering. Voor deze jaren is de termijn waarover heffingsrente wordt vergoed namelijk langer dan de termijn waarover invorderingsrente wordt vergoed. Dit verschil kan oplopen tot een zes maanden langere termijn. Voor de inkomstenbelasting is deze materie van belang voor de jaren 2006 tot en met 2009.
Arrest
De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur de keuze heeft tussen het vaststellen van een ambtshalve vermindering en een nadere negatieve voorlopige aanslag. Bij deze keuze dient hij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het evenredigheidsbeginsel, in acht te nemen. Kiest hij voor een ambtshalve vermindering, dan leidt dat tot een rentenadeel voor de belastingplichtige. Dat rentenadeel brengt, volgens de Hoge Raad, per definitie een onevenredig nadeel mee in verhouding tot het budgettaire belang van de gemeenschap. De keuzevrijheid brengt mee dat de inspecteur, als hij kiest voor de ambtshalve vermindering, is gehouden de gemiste heffingsrente te vergoeden. Als de inspecteur dat niet doet bij de ambtshalve vermindering, dan is hij verplicht om bij een eerstvolgende gelegenheid alsnog een overeenkomstige compensatie te verlenen door beperking van de alsdan in rekening te brengen heffingsrente en zo nodig door vergoeding van dergelijke rente. Belastingplichtigen kunnen tegen iedere beschikking inzake heffingsrente met betrekking tot de belastingschuld over het desbetreffende jaar bezwaar maken en op die manier om compensatie van de gemiste rente verzoeken.
Conclusie
Dit arrest is het sluitstuk van een flink aantal procedures, waarin de lagere rechters vergelijkbaar oordeelden. Ook de Nationale ombudsman adviseerde overeenkomstig. Van praktisch belang is dat de Hoge Raad een rechtsingang geeft om over het gemis aan heffingsrente te klagen bij iedere beschikking heffingsrente met betrekking tot het desbetreffende jaar. De lopende zaken zullen naar onze verwachting conform dit arrest worden afgehandeld. Het blijft wel zaak om te controleren of de Belastingdienst in de toekomst bij het opleggen van aanslagen over de jaren tot en met 2009 overeenkomstig dit arrest handelt. Vanaf het jaar 2010 is de termijn waarover heffingsrente wordt berekend, verkort. Het hiervoor omschreven rentenadeel van zes maanden doet zich dan niet meer voor. Tot slot is in het Belastingplan 2012 voor de heffingsrente en invorderingsrente een geheel nieuw stelsel voorgesteld. Deze materie zal dan ook niet meer spelen.