Veel (ingekomen) werknemers laten op verzoek van hun werkgever hun aangiften inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: IB-aangifte) verzorgen door een belastingadvieskantoor dat de werkgever heeft aangewezen. Voor de werkzaamheden stuurt het belastingadvieskantoor een factuur naar de werkgever, die deze kosten normaal gesproken niet doorbelast aan de werknemer. Onlangs heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze handelwijze leidt tot een (loon)voordeel bij de werknemer.
Hoge Raad, 5 februari 2010
De zaak kan als volgt worden samengevat. Een werkgever heeft nettoloonovereenkomsten gesloten met ingekomen werknemers, op wie de zogenoemde 30%-regeling van toepassing is. Bij een nettoloonovereenkomst heeft de werkgever een direct financieel belang bij de IB-aangifte van de werknemer. De werkgever neemt bij een nettoloonafspraak immers de verschuldigde belasting voor zijn rekening. Vanwege dit belang verdedigde de werkgever het standpunt dat de kosten voor het opstellen van de IB-aangifte vanuit een zakelijk oogpunt zijn gemaakt, zodat geen sprake kan zijn van een (loon)voordeel voor de werknemer.
In het arrest verwerpt de Hoge Raad het standpunt van de werkgever. Naar zijn oordeel is het indienen van een IB-aangifte een persoonlijke verplichting van de werknemer. De daarmee gemoeide kosten horen voor zijn rekening te komen. Als de werkgever de kosten voor zijn rekening neemt, verstrekt hij loon aan de werknemer. Dat de werkgever ook baat heeft bij de werkzaamheden, is daarbij niet van belang. Ook is volgens de Hoge Raad niet van belang dat een deel van de werkzaamheden betrekking heeft gehad op werkzaamheden waartoe werknemers niet zijn verplicht. Dit zijn bijvoorbeeld het voeren van correspondentie en vooroverleg met de Belastingdienst ten behoeve van de werknemers en het doen van vervolgaangiften bij teruggaven.
Einde discussie?
De discussie over de vraag of de kosten, betaald door de werkgever, van het laten opstellen van de IB-aangifte tot het loon van de werknemer behoren, is ten einde. Volgens de Hoge Raad zijn deze kosten niet aan te merken als onbelast te vergoeden kosten of als onbelaste verstrekking.
De Hoge Raad gaat in zijn oordeel niet in op twee hiermee verband houdende zaken.
In de eerste plaats blijft onduidelijk of de kosten van het opstellen van de IB-aangifte voor de ingekomen werknemer kunnen kwalificeren als (onbelaste) extraterritoriale kosten.
Daarnaast blijft onzekerheid bestaan over de vraag hoe de omvang van het (loon)voordeel moet worden vastgesteld. Rechtbank Haarlem heeft over deze vraag onlangs een oordeel gegeven.
Rechtbank Haarlem, 12 januari 2010
De rechtbank in Haarlem heeft geoordeeld dat de waarde van het verzorgen van de IB-aangifte moet worden gesteld op het bedrag van de factuur (inclusief btw) van de belastingadviseur. Of dit oordeel stand zal houden, is onzeker. Uit een arrest van de Hoge Raad uit 2006 blijkt namelijk dat de waarde in het economisch verkeer niet per definitie gelijk is aan het bedrag van de factuur.
Het belang van deze discussie eindigt overigens in ieder geval met de invoering van de Werkkostenregeling per 1 januari 2011. Dan wordt wettelijk geregeld dat de waarde in het economisch verkeer wordt vastgesteld op basis van de factuur.