Hof Amsterdam stelt prejudiciële vragen over Nederlandse exitheffing in de vennootschapsbelasting 

 

22-7-2010 

In een uitspraak van 15 juli 2010 heeft Hof Amsterdam aan het Europese Hof van Justitie prejudiciële vragen gesteld over de zogenoemde exitheffing in de vennootschapsbelasting. Op grond van deze heffing moet een in Nederland gevestigde vennootschap afrekenen over de aanwezige meerwaarden (ook wel stille reserves genoemd) bij verplaatsing naar het buitenland. De vragen komen er in essentie op neer of de exitheffing niet in strijd is met de vrijheid van vestiging zoals neergelegd in het EU-verdrag (het huidige VWEU).

De procedure draait om een Nederlandse bv die eind 2000 haar feitelijke leiding naar Groot-Brittannië heeft verplaatst. Tot het vermogen van deze bv behoorde een groepsvordering in Britse ponden. Als gevolg van de stijging van het Britse pond ten opzichte van (destijds) de Nederlandse gulden, school in deze vordering een meerwaarde van ruim 22 miljoen gulden.

Bij de verplaatsing van de feitelijke leiding van de bv naar Groot-Brittannië heeft de inspecteur de exitheffing toegepast en vennootschapsbelasting geheven over deze meerwaarde. De belanghebbende was het hiermee niet eens en voerde daarvoor de volgende drie argumenten aan:

1.       De exitheffing is in strijd met de goede trouw die Nederland jegens zijn verdragspartner Groot-Brittannië in acht dient te nemen op grond van het Verdrag van Wenen.

2.       De exitheffing is in strijd met de wijze waarop in het belastingverdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië de heffingsbevoegdheid tussen beide landen wordt verdeeld.

3.       De exitheffing is in strijd met de vrijheid van vestiging zoals neergelegd in het EU-verdrag.

Hof Amsterdam heeft nu de eerste twee argumenten afgewezen, maar zal over het derde punt prejudiciële vragen voorleggen aan het Hof van Justitie.

Ook nog infractieprocedure over exitheffing
Verder is het interessant om te vermelden dat op het punt van de exitheffing ook een zogenoemde infractieprocedure van de Europese Commissie loopt. Op 18 maart 2010 heeft de Commissie officieel aan (onder andere) Nederland verzocht om, wegens onverenigbaarheid met de vrijheid van vestiging, de regels in de inkomsten- en vennootschapsbelasting te wijzigen die een onmiddellijke eindheffing opleggen aan ondernemingen die hun zetel of activa naar een andere lidstaat verplaatsen. Nederland had vervolgens twee maanden de tijd om aan het verzoek van de Commissie gevolg te geven, maar heeft dit tot op heden niet gedaan. De Commissie kan deze zaak daarom voor het Hof van Justitie (gaan) brengen.