Reactie staatssecretaris op nadere schriftelijke vragen Fiscale agenda en bankenbelasting 

 

17-8-2011 

Op 14 april 2011 en 31 mei 2011 berichtten wij al over de Fiscale agenda die staatssecretaris Weekers van Financiën op eerstgenoemde datum namens het kabinet naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Daarnaast berichtten wij op 20 juni 2011 over de voorstellen voor het nieuwe bedrijfslevenbeleid die de – door het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie ingestelde – Topteams op 17 juni 2011 hebben gepresenteerd en waarin het Topteam Hoofdkantoren onder andere ingaat op de deelnemingsrente (‘Bosalgat’). Op 4 juli 2011 hebben wij in verband met de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting gemeld dat dekking van die maatregel onder andere werd gezocht in het ‘repareren’ van het Bosalgat en het invoeren van een bankenbelasting. In zijn brief van 16 augustus 2011 heeft de staatssecretaris nu gereageerd op nadere schriftelijke vragen die de Tweede Kamer naar aanleiding van de Fiscale agenda heeft gesteld. Ook gaat de staatssecretaris op verzoek in op de 1 juli 2011 aangekondigde bankenbelasting.

Hierna beschrijven wij kort de meest relevante aanvullingen op de wijzigingen die het kabinet eerder heeft geschetst. Daarbij richten wij ons op de gevolgen voor de vennootschapsbelasting. Voor meer achtergronden verwijzen wij naar onze eerdere berichtgeving over dit onderwerp.

1. Overnameholdings

Opbrengst en impact
Uit de voorlopige resultaten van een door KPMG Meijburg & Co op basis van de eerder bekend gemaakte informatie uitgevoerde Impact Study bleek dat de opbrengst van de overnameholdingbepaling mogelijk groter was dan publiekelijk geraamd. Mede naar aanleiding van door de Tweede Kamer gestelde vragen heeft overleg plaatsgevonden tussen het Ministerie van Financiën en KPMG Meijburg & Co over de door beide partijen gehanteerde fiscale uitgangspunten. Dit overleg heeft geleid tot de conclusie dat, op basis van nadere informatie van het Ministerie van Financiën over de details van de voorgenomen maatregel, de impact mogelijk kleiner is dan de voorlopige resultaten van het onderzoek aangeven. Het is mogelijk dat de uiteindelijke vormgeving van de maatregel in het Belastingplan de geraamde opbrengst uit de Fiscale agenda nog beïnvloedt.

Werking van de maatregel
Uit de reactie van de staatssecretaris op een voorbeeld van de fractie van D66 kan de volgende werking van de overnameholdingbepaling worden afgeleid.

·         Uitgangspunt van de overnameholdingbepaling is dat de overnamerente van de overnemer niet verrekenbaar is met de winst van de overgenomen onderneming.

·         Als de overnemer voldoende “eigen” winst heeft, wordt een overname – van een binnenlands of buitenlands bedrijf – niet getroffen door de renteaftrekbeperking.

·         Als de overnemer niet voldoende “eigen” winst heeft, is de renteaftrekbeperking van toepassing voor zover de niet-aftrekbare overnamerente meer bedraagt dan € 500.000 én sprake is van een teveel aan vreemd vermogen na de overname. Bij dit laatste is van belang de verhouding eigen/vreemd vermogen (hierna: vermogensverhouding) van de fiscale eenheid tussen de overnemer en de overgenomen vennootschap na de overname. Wij wijzen erop dat de fiscale boekwaarde van niet-gevoegde deelnemingen op het eigen vermogen in mindering moet worden gebracht. Als de vermogensverhouding na de overname binnen de verhouding 2:3 blijft, is de renteaftrekbeperking niet van toepassing.

·         Een buitenlandse onderneming kan niet worden gevoegd en vormt dus een op het eigen vermogen in mindering te brengen deelneming, hetgeen de vermogensverhouding van de fiscale eenheid verslechtert. Als hierdoor de vermogensverhouding niet meer binnen de verhouding 2:3 blijft, is de aftrekbeperking van toepassing voor zover de niet-aftrekbare overnamerente meer is dan € 500.000 dan wel voor zover er een teveel aan vreemd vermogen is. Deze “escapes” worden los van elkaar toegepast waarbij het laagste bedrag aan niet-aftrekbare rente daadwerkelijk niet aftrekbaar is.

·         De renteaftrek over de overnameschuld vervalt dus nooit in het geheel, maar alleen voor zover de overnamerente meer is dan de “eigen” winst van het overnemende bedrijf vermeerderd met € 500.000 dan wel voor zover er een teveel aan vreemd vermogen is.

·         Wij merken op dat in de brief niet wordt ingegaan op de vraag of voor toepassing van de vermogensverhouding rentedragende vorderingen mogen worden gesaldeerd met rentedragende schulden.

Tegenbewijsregeling (verhouding eigen/vreemd vermogen, stallingsregeling)

·         Gevraagd naar de onderbouwing van de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen merkt de staatssecretaris op dat de vraag of sprake is van excessieve renteaftrek zal worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria die in de wet zullen worden neergelegd. Hierbij zal worden gekeken naar de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen bij de belastingplichtige (de fiscale eenheid).

·         Het uitgangspunt bij het vaststellen van de norm is een strenge aanpak van overnameholdingconstructies. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor gezonde financieringsverhoudingen, maar dat gebeurt aan de hand van een strenge maatstaf van 2:3.

·         Als het eigen vermogen afneemt doordat verliezen worden gemaakt, dan heeft dit een nadelig effect op de vermogensverhouding (zie hiervoor). Op vragen over tijdelijke maar niettemin reële verliezen antwoordt de staatssecretaris dat hij voornemens is rekening te houden met verliezen door een stallingsregeling op te nemen: niet-aftrekbare overnamerente kan worden doorgeschoven naar volgende jaren. Indien de overnemer in een volgend jaar weer voldoende eigen winst heeft, kan de doorgeschoven overnamerente in dat jaar alsnog met die eigen winst worden verrekend. Niet geheel duidelijk is of de stallingsregeling mogelijk alleen van toepassing is in jaren waarin verlies wordt geleden.

Management buy-out
Er komt geen specifieke uitzondering voor management buy-outs. De franchise van € 500.000 zou volgens de staatssecretaris met name de overnames in het MKB zoveel mogelijk moeten ontzien.

Eigen winst overnemende vennootschap en winstsplitsing
De staatssecretaris geeft aan dat de eigen winst van de overnameholding wordt berekend door de winst van de fiscale eenheid vóór aftrek van de overnamerente te verminderen met het aandeel van de overgenomen vennootschap in de winst van de fiscale eenheid.

Het uitgangspunt bij de winstsplitsing binnen fiscale eenheid zal zijn dat voorkomen moet worden dat de werking van de maatregel wordt ondermijnd door winst van de overgenomen vennootschap te verschuiven naar de overnameholding of andere maatschappijen binnen de fiscale eenheid. Het ligt volgens de staatssecretaris voor de hand daarbij aan te knopen bij de regels die gelden voor de verrekening van voorvoegingsverliezen binnen een fiscale eenheid.

Overgangsrecht/herfinanciering
Eerder had de staatssecretaris aangegeven dat overnames van voor 1 januari 2007 zouden worden ontzien. In zijn brief van 16 augustus 2011 geeft de staatssecretaris in meer detail aan dat de vraag of overnames onder de voorgestelde overnameholdingbepaling vallen, zal worden beoordeeld naar het moment van voeging van de overnemer en de overgenomen onderneming in een fiscale eenheid en niet op basis van het moment van aangaan van de overnameschuld. Herfinanciering van de overnameschuld verandert niets aan het voegingstijdstip en heeft hierdoor geen invloed op de (beantwoording van de) vraag of een overname onder de overnameholdingbepaling valt.

De door de staatssecretaris geschetste contouren van het overgangsrecht zou ertoe kunnen leiden dat de renteaftrek in situaties waarbij voor 1 januari 2007 is gevoegd op grond van de overnameholdingbepaling gehandhaafd blijft, doch – als tot het vermogen van de fiscale eenheid deelnemingen behoren – bij een eventuele reparatie van het Bosalgat (zie paragraaf 3) alsnog op de tocht kan komen te staan.

Europeesrechtelijke risico's?
De staatssecretaris geeft aan dat de overnameholdingbepaling geen onderscheid maakt tussen Nederlandse en buitenlandse investeerders. Als een regulier Nederlands bedrijf een andere Nederlandse onderneming middels een overnameholding wenst over te nemen, wordt deze overname onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze door de overnameholdingbepaling getroffen als een overname door een buitenlandse investeerder. De mogelijkheden om via juridische splitsing, fusie of vorming van een fiscale eenheid de winsten van de overgenomen vennootschap te verrekenen met de rentelasten van de overnameholding worden beperkt, ongeacht de nationaliteit of vestigingsplaats van de aandeelhouders van de overnameholding. Dat een overnameholding vervolgens eventueel geen grondslag heeft waarvan deze rentelasten kunnen worden afgetrokken is volgens de staatssecretaris een feitelijk gegeven en geen gevolg van de regeling. Op dit punt worden door de staatssecretaris dan ook geen Europeesrechtelijke risico’s gezien.

2. Objectvrijstelling vaste inrichtingen

Vestigingsklimaat
Het invoeren van een objectvrijstelling neemt het timingvoordeel weg dat internationaal opererende ondernemingen bij het in aanmerking nemen van verliezen genieten doordat zij in het buitenland opereren via een vaste inrichting in plaats van een dochtervennootschap. Hier wordt een meer gelijke behandeling met deelnemingen mee beoogd.

Hoewel de staatssecretaris erkent dat het wegnemen van dit timingvoordeel een nadeel betekent voor genoemde internationale ondernemingen, verwacht hij dat de negatieve gevolgen voor het vestigingsklimaat beperkt zijn. Dit motiveert de staatssecretaris met het argument dat de verliezen ten laste van de van de Nederlandse winst kunnen worden gebracht indien de activiteiten van de vaste inrichting (definitief) worden gestaakt. Ook noemt hij het beoogde positieve gevolg voor het vestigingsklimaat dat een terugsluis van de opbrengst aan het bedrijfsleven, bijvoorbeeld via een tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting, kan hebben.

Europeesrechtelijke risico’s?
De staatssecretaris geeft nogmaals aan dat hij bij de invoering van een objectvrijstelling voor vaste inrichtingen geen Europeesrechtelijke problemen voorziet met betrekking tot het niet langer in aftrek toestaan van verliezen uit een buitenlandse vaste inrichting (behoudens definitieve stakingsverliezen). Verder leidt de objectvrijstelling voor vaste inrichtingen vanwege de voorgenomen vormgeving van deze bepaling, waarbij de huidige systematiek voor het bepalen van de winst uitgangspunt is, niet tot additionele Europeesrechtelijke problematiek. De valutaresultaten die samenhangen met een vaste inrichting blijven tot de Nederlandse heffingsgrondslag behoren.

3. Deelnemingsrente (‘Bosalgat’)/tariefverlaging
Hoewel de Tweede Kamer expliciet vraagt naar de vormgeving en inhoud van de voorgenomen maatregel om het zogeheten Bosalgat te dichten doet de staatssecretaris hier geen nadere mededelingen over. De staatssecretaris volstaat met de vermelding dat het kabinet nog deze maand zal besluiten wat de precieze maatvoering van deze maatregel (en de overige maatregelen) zal zijn. Waarschijnlijk zal de beoogde invulling overigens pas definitief bekend worden als de betreffende wetgeving rond Prinsjesdag aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

Op dit moment is dus ook nog niet duidelijk wat de hoogte van de opbrengst zal zijn. Vanwege het gedeeltelijk inzetten van de totale opbrengst van de grondslagverbredende maatregelen (overnameholding, objectvrijstelling en deelnemingsrente) voor het tijdelijke verlagen van de overdrachtsbelasting is daarom ook nog onduidelijk hoeveel budgettaire ruimte er overblijft, bijvoorbeeld voor tariefverlaging (eerder werd een vennootschapsbelastingtarief van 24% genoemd).

4. Geen vermogensaftrek/bijtelling
De Tweede Kamer vraagt om een nadere motivering voor het niet invoeren van een vermogensaftrek en -bijtelling. De staatssecretaris geeft aan dat hiervoor budgettaire dekking in de vennootschapsbelasting zou moeten worden gezocht en dat dan een verhoging van het vennootschapsbelastingtarief voor de hand zou liggen. Dit staat echter haaks op het Regeerakkoord waarin wordt ingezet op een tariefverlaging en is bovendien slecht voor het Nederlandse vestigingsklimaat.

5. Vervallen van huidige renteaftrekbeperkingen?
De Tweede Kamer heeft gevraagd of de huidige thincapregeling (artikel 10d Wet Vpb) en aftrekbeperking bij de verwerving of uitbreiding van een belang in een verbonden lichaam (artikel 10a Wet Vpb) bij invoering van de voorgenomen maatregelen komen te vervallen. De staatssecretaris wil daar nog niet op vooruitlopen en maakt het eventueel vervallen van renteaftrekbeperkingen afhankelijk van een nog te maken afweging waarbij ook de vormgeving van de maatregel tegen aftrek van deelnemingskosten een rol speelt. In het wetsvoorstel zal in ieder geval rekening worden gehouden met de samenloop met andere renteaftrekbeperkingen van de Wet Vpb.

6. Planning Fiscale agenda
Zoals gezegd zal het kabinet nog in augustus besluiten wat de precieze maatvoering van de maatregelen zal zijn. Dit zal worden neergelegd in wetgeving die rond Prinsjesdag (dinsdag 20 september 2011) aan de Kamer zal worden aangeboden. Naar verluid worden de stukken van het Belastingplan al op vrijdag 16 september 2011 openbaar gemaakt. Of dit laatste ook het separate wetsvoorstel over de vennootschapsbelasting behelst is niet geheel duidelijk.

De beoogde ingangsdatum van de onder  paragraaf 1 tot en met 3 genoemde maatregelen lijkt op basis van het voorgaande in ieder geval nog steeds 1 januari 2012 te zijn.

7. Bankenbelasting
Hoewel (nog) niet formeel opgenomen in de Fiscale agenda besteedt de staatssecretaris in zijn brief van 16 augustus – naar aanleiding van vragen van de Tweede Kamer – ook aandacht aan de invoering van een bankenbelasting. Dat het kabinet voornemens is een bankenbelasting in te voeren was al kenbaar gemaakt in een brief van 1 juli 2011 over de budgettaire dekking voor het tijdelijk verlagen van de overdrachtsbelasting. Hierbij werd onder andere als randvoorwaarde genoemd dat sprake moet zijn van een Europees ‘level playing field’. Hoewel in eerste instantie gewacht zou worden op een voorstel van de Europese Commissie voor invoering van een ‘Europeesbrede’ heffing, wordt dit nu blijkbaar niet langer nodig geacht. Dat voorstel van de Europese Commissie wordt overigens (ook) na de zomer verwacht. In zijn brief van 16 augustus kondigt de staatssecretaris aan dat ernaar wordt gestreefd een separaat wetsvoorstel voor een bankenbelasting in te dienen in het vierde kwartaal van 2011, met het idee dit in 2012 tot wet te verheffen. Niet wordt aangegeven wanneer de bankenbelasting daadwerkelijk zou moeten worden ingevoerd.

In de brief gaat de staatssecretaris globaal in op bepaalde aspecten van de voorgenomen bankenbelasting:

·         de grondslag wordt gebaseerd op de passiva op de balans van de banken. De staatssecretaris verduidelijk dat het gaat om de ‘ongedekte schulden’, dat wil zeggen de passiva verminderd met het eigen vermogen en de verplichtingen die onder het depositogarantiestelsel vallen. Dit zou overeenkomen met de aanpak in andere EU lidststaten.

·         Voorgesteld wordt een gesplitst tarief te hanteren, waarbij een hoger tarief zou gelden voor kortlopende ongedekte schulden dan voor langlopende schulden. Een dergelijk onderscheid wordt ook in de Britse bankenbelasting gemaakt. Over de hoogte van deze tarieven laat de staatssecretaris zich vooralsnog niet uit. Wel worden drie factoren genoemd die van invloed zijn, namelijk, de ‘level playing field’-gedachte binnen de EU, het voorkomen van wijzigingen in de organisatiestructuur van de banken en de beoogde dekkingsbijdrage (€ 300 miljoen).

·         Er zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij bestaande gegevens die bij banken voorhanden zijn, dit om de verwachte toename van administratieve lasten te beperken.

·         Er wordt gedacht aan het hanteren van een doelmatigheidsdrempel.