Op 14 april 2011 berichtten wij al over de Fiscale agenda die staatssecretaris Weekers van Financiën op diezelfde dag namens het kabinet naar de Tweede Kamer stuurde. In zijn brief van 26 mei 2011 heeft de staatssecretaris gereageerd op schriftelijke vragen die de Tweede Kamer naar aanleiding van de Fiscale agenda heeft gesteld. Hierna beschrijven wij kort de meest relevante aanvullingen op de wijzigingen die het kabinet eerder heeft geschetst. Daarbij richten wij ons op de gevolgen voor de vennootschapsbelasting. Voor meer achtergronden verwijzen wij naar onze eerdere berichtgeving over dit onderwerp.
1. Overnameholdings
De staatssecretaris bevestigt dat de kern van deze aangekondigde renteaftrekbeperking is dat rentelasten ter zake van de overname van een onderneming niet langer kunnen worden afgetrokken van de fiscale winst van die overgenomen onderneming (via een fiscale eenheid). Het doel is een fiscale rem te zetten op de in de ogen van het kabinet onevenwichtige situatie, waarbij de overnemer van een Nederlandse onderneming deze onderneming opzadelt met een excessieve schuldenlast. In de Tweede Kamer lijkt brede steun voor deze maatregel te zijn.
Verder bevestigt de staatssecretaris dat:
-
bedrijven alleen met de maatregel te maken krijgen als de overnamevennootschap niet voldoende winst maakt om zelf de financieringslast van de overname te dragen;
-
de renteaftrek ongemoeid wordt gelaten als na de overname sprake is van een gezonde financieringsverhouding, waarbij de staatssecretaris denkt aan een verhouding tussen eigen en vreemd vermogen van ten minste 2:3; een verhouding – naar wordt aangenomen op het niveau van de fiscale eenheid – die bewust strenger is dan de in de bestaande thincap-regeling gehanteerde norm van 1:3. Wij merken op dat de waarde van de deelnemingen in mindering komt op het te hanteren eigen vermogen;
-
de eerste € 500.000 altijd aftrekbaar is;
-
het goodwillgat voor de bepaling van het eigen vermogen wordt bijgeteld en dat deze correctie in tien jaar wordt afgebouwd;
-
geen onderscheid wordt gemaakt tussen leningen verstrekt door derden en schulden aan verbonden lichamen, om te voorkomen dat overnameholdings met excessieve derdenleningen worden opgezadeld.
Daarnaast merkt de staatssecretaris in reactie op de gestelde Kamervragen het volgende op.
-
Aangezien het vertrekpunt van de aangekondigde maatregel is te voorkomen dat een overgenomen bedrijf zijn fiscale winst 'opeet' als gevolg van een overmaat aan schuldfinanciering, past het niet om een toets aan te leggen of deze rente bij de crediteur in de grondslag wordt betrokken. Een dergelijke tegenbewijsregeling zou de maatregel volgens de staatssecretaris ook aanzienlijk aan effectiviteit laten inboeten en het stelsel extra compliceren. In het huidige artikel 10a Wet Vpb kennen we overigens wel een dergelijke ‘compenserende heffing’.
-
Overnames van voor 1 januari 2007 worden ontzien om de nieuwe maatregel aan te laten sluiten bij de oude, die per 1 januari 2007 werd afgeschaft (de strekking van de oude bepaling werd overigens wel ondergebracht in genoemd artikel 10a Wet Vpb). Wij vragen ons af of een herfinanciering na 2007 van een overnameschuld van voor 2007 ook wordt ontzien.
-
De staatssecretaris is geen voorstander van een regeling waarin de financieringsverhouding op het moment van overname doorslaggevend is. Zou dit wel het geval zijn, dan heeft de belastingplichtige aan de ene kant niet de mogelijkheid een ongezonde financieringsverhouding te repareren, en zou aan de andere kant de aftrekbaarheid van de rente ook in latere jaren zijn gewaarborgd wanneer de reële financieringsverhouding (vlak) na de overname sterk verslechtert.
-
Het ligt volgens de staatssecretaris niet voor de hand dat schulden waarvan de rente op grond van een andere bepaling van aftrek is uitgesloten als eigen vermogen kunnen worden meegenomen.
-
De staatssecretaris geeft aan dat kan worden overwogen om schulden die op zakelijke gronden renteloos zijn buiten beschouwing te laten bij de bepaling van het vreemd vermogen. Dit geldt overigens ook al voor de huidige thincap-regeling.
-
Er wordt nog gekeken hoe rekening kan worden gehouden met situaties waarbij het eigen vermogen, bijvoorbeeld door een recessie, negatief is geworden.
-
De staatssecretaris geeft aan dat hij niet kan bevestigen dat schulden die zijn aangegaan om een al bestaande schuld te financieren, in de overgenomen vennootschap in het kader van een overname (lees: herfinanciering) niet onder het begrip 'overnameschulden' vallen. Volgens de staatssecretaris is sprake van een overnameschuld als de overnameholding de schuld overneemt.
2. Objectvrijstelling vaste inrichtingen
De staatssecretaris gaat op verzoek van de Tweede Kamer onder andere in op het commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB). Hij geeft toe dat de invoering van de objectvrijstelling niet zal leiden tot eenvoudiger regelgeving.
Naar zijn mening geldt dat echter ook voor het door de NOB aangedragen alternatief om het huidige systeem in stand te laten, maar eventueel afgetrokken buitenlandse verliezen (niet zijnde verliezen die in het buitenland definitief niet kunnen worden benut) na vijf jaar weer bij de winst te tellen.
Bovendien zal het timingvoordeel dat optreedt bij het opereren via een vaste inrichting – in plaats van via een dochtervennootschap – in het alternatief niet volledig worden weggenomen.
De staatssecretaris bevestigt verder dat het zijn voornemen is de objectvrijstelling – onder meer vanwege praktische problemen – alleen in de vennootschapsbelasting in te voeren en niet door te trekken naar de inkomstenbelasting. De staatssecretaris voorziet verder geen strijdigheid met Europees recht door het niet in aftrek toelaten van verliezen uit een buitenlandse vaste inrichting van de winst in de lidstaat waar de vennootschap is gevestigd.
3. Tariefverlaging
Naar de mening van de staatssecretaris is het (hoge) vennootschapsbelastingtarief een van de opvallendste kenmerken van een fiscaal stelsel. Daarom is dit van belang als bedrijven die vestiging in Europa overwegen, de eerste selectie van landen maken. De staatssecretaris verwacht dat de dalende Europese trend in de vennootschapsbelastingtarieven zal doorzetten. Een lager tarief zorgt er volgens hem voor dat het voor bedrijven aantrekkelijker wordt meer te investeren en meer winst te maken.
4. Fiscale behandeling deelnemingsrente/thincap-regeling
In de Fiscale agenda gaf de staatssecretaris aan dat de voorzitter van het topteam Hoofdkantoren is gevraagd een opinie te formuleren over de fiscale behandeling van deelnemingsrente (het zogenoemde Bosalgat) en zijn bevindingen op 14 juni 2011 aan het kabinet aan te bieden. Het kabinet zal hier vervolgens een reactie op geven. Op vragen van de Tweede Kamer antwoordt de staatssecretaris dat de reactie en bevindingen openbaar zullen worden gemaakt en zullen worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Uiterlijk bij de indiening van het wetsvoorstel betreffende de vennootschapsbelasting zal duidelijk worden welke keuze het kabinet over de deelnemingsrente heeft gemaakt.
De eerder in het Consultatiedocument (juni 2009) geopperde earnings-strippingmaatregel is volgens de staatssecretaris te generiek en qua effect beperkt bij gekunstelde groepsleningen en met veel vreemd vermogen gefinancierde overnames.
De staatssecretaris bevestigt ten slotte dat de huidige aftrekbeperking bij onderkapitalisatie (thincap-regeling) kan worden geschrapt bij een eventuele invoering van de aftrekbeperking voor de deelnemingsrente.
5. Geen vermogensaftrek/bijtelling
De invoering van een vermogensaftrek en -bijtelling zou een fundamentele ingreep in de vennootschapsbelasting zijn. Uitvoerig onderzoek zou nodig zijn, evenals een dekking voor het budgettaire verlies dat naar verwachting per saldo zou optreden.
De staatssecretaris wil langdurige en grote onzekerheid over de vennootschapsbelasting te voorkomen en is niet van plan andere maatregelen te overwegen.
6. Vervolg
De commissie voor Financiën van de Tweede Kamer debatteert volgens de planning op 6 juni 2011 met de staatssecretaris over de Fiscale agenda. De plenaire vergadering staat ingepland op 16 juni 2011. Volgens het tijdschema dat bij de Fiscale agenda is opgenomen, heeft het kabinet de bedoeling om in ieder geval de maatregelen genoemd onder 1 en 2 op te nemen in een separaat Vpb-wetsvoorstel, dat in september 2011 op Prinsjesdag wordt aangeboden. De beoogde ingangsdatum van deze voorstellen is 1 januari 2012.