Rechtbank Haarlem over de gezamenlijke waardering: eerste jurisprudentie na het Cacaobonenarrest 

 

31-8-2010 

De vraag in hoeverre activa, passiva en derivaten gezamenlijk moeten worden gewaardeerd, is voor het eerst met inachtneming van het zogenoemde Cacaobonenarrest (HR 10 april 2009, nr. 42.916) door een rechter beantwoord. Rechtbank Haarlem oordeelde op 18 augustus 2010 in een door KPMG Meijburg & Co begeleide procedure over de waarderingsvraag bij een marketmaker, een professionele marktpartij die de handel in opties onderhoudt.

Afzonderlijke waardering fiscaal gunstiger
Bij afzonderlijk gewaardeerde balansposten mag fiscaal op iedere balanspost de ongerealiseerde winst vooruit worden geschoven, terwijl een ongerealiseerd verlies mag worden genomen. Als sprake is van gezamenlijk te waarderen balansposten, moeten – voordat wordt overgegaan tot uitstel of verliesneming – de ongerealiseerde resultaten worden gesaldeerd op de gezamenlijk te waarderen balansposten. Het saldoverlies kan dan worden genomen en de saldowinst mag worden uitgesteld. Hoe meer balansposten afzonderlijk mogen worden gewaardeerd, des te voordeliger dat fiscaal dus is.

Het berechte geval
De marketmaker sloot in 1993 een overeenkomst met de Belastingdienst. Hierin werd vastgelegd welke activa, passiva en derivaten afzonderlijk en welke gezamenlijk mochten worden gewaardeerd. Deze compromissoire afspraak voorzag erin dat alle aandelen en opties van hetzelfde fonds werden betrokken in de gezamenlijke waardering. Daarnaast maakte de afspraak het mogelijk om binnen één fonds nog verschillende 'mandjes' te onderscheiden. Denk daarbij aan aandelen en kortlopende opties, opties met een resterende looptijd van zes tot twaalf maanden, en langlopende opties. De Belastingdienst zag met ingang van 2001 af van verlenging van de afspraak met belanghebbende en stelde dat deze al zijn financiële activa, passiva en derivaten in dat jaar moest opvoeren tegen marktwaarde.

Rechtbank geeft invulling aan het Cacaobonenarrest
De rechtbank vindt echter dat er onvoldoende aanleiding is om de afspraak met belanghebbende op te zeggen. Volgens hem is de enige bepaling in de overeenkomst die op gespannen voet staat met de bestaande jurisprudentie over goed koopmansgebruik en gezamenlijke waardering, de bepaling op grond waarvan binnen één beursfonds op basis van verschillende resterende looptijden nog verschillende 'submandjes' mogen worden gevormd. De waardeontwikkeling van de activa, passiva en derivaten in deze submandjes vertoont naar het idee van de rechtbank een verband dat valt binnen de door de Hoge Raad in het Cacaobonenarrest aangegeven marge van 80-125%. Het elimineren van het onderdeel van de afspraak dat onderscheid maakt in resterende looptijd, had naar het oordeel van de rechtbank relatief te weinig consequenties voor de omvang van de belaste winst van de marketmaker om het opzeggen van de overeenkomst te kunnen rechtvaardigen.