Rechtbank Breda: Nederlandse dividendbelasting is in strijd met Europees recht 

 

7-11-2011 

Op 14 september 2011 heeft Rechtbank Breda – zoals onlangs is gebleken – uitspraak gedaan over een inwoner van België die een verzoek deed om teruggaaf van (een deel van) ingehouden Nederlandse dividendbelasting, omdat die inhouding strijdig zou zijn met de vrijheid van kapitaalverkeer onder het Europees recht. De rechtbank stelde belanghebbende in het gelijk voor zover de Nederlandse dividendbelasting uitging boven dat wat een vergelijkbare aandeelhouder die inwoner is van Nederland, in box 3 aan inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn geweest.

Achtergrond en geschil
In deze zaak heeft een in Nederland gevestigde vennootschap in 2007 voor een totaalbedrag van € 107.732 aan dividend betaald aan een inwoner van België met de Nederlandse nationaliteit die een belang van 1,2% in genoemde vennootschap had. De vennootschap heeft over dit dividend in totaal € 16.106 aan Nederlandse dividendbelasting ingehouden en afgedragen. De aandelen vormden voor deze aandeelhouder geen aanmerkelijk belang, maar portfoliobezit. In 2007 bedroeg de gemiddelde waarde hiervan € 1.298.245. Ter financiering van het aandelenpakket waren geen schulden aangegaan en er waren ook geen op het dividend drukkende kosten. In België was de aandeelhouder nog personenbelasting verschuldigd over het dividend. Dit werd berekend over de nettowaarde van het dividend: € 107.732 -/- € 16.106 = € 91.266 tegen een tarief van 25%, zodat in België € 22.816,50 was verschuldigd. Hiermee kon de Nederlandse dividendbelasting overigens niet worden verrekend, omdat de Belgische wetgeving daarin niet voorzag.

Het geschil
In geschil was onder andere of de inhouding van dividendbelasting in strijd was met het recht van de Europese Unie omdat belanghebbende deze dividendbelasting niet kon verrekenen, terwijl binnenlands belastingplichtigen dat wel konden. Subsidiair was in geschil of de inhouding moest worden beperkt tot 8% van het dividend.

De uitspraak van de rechtbank
Belanghebbende stelt dat zij ten opzichte van binnenlands belastingplichtigen wordt gediscrimineerd, omdat de ingehouden Nederlandse dividendbelasting voor hen altijd verrekenbaar is, dan wel tot teruggaaf leidt. Op basis van rechtspraak van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg (HvJ) trekt de rechtbank de conclusie dat voor een juiste vergelijking tussen binnenlandse en buitenlandse aandeelhouders de totale Nederlandse heffing in de beschouwing moet worden betrokken, dus inclusief de heffing inkomstenbelasting in box 3.

Vervolgens bekijkt de rechtbank wat een binnenlandse aandeelhouder aan belasting verschuldigd zou zijn geweest met inachtneming van een volledige verrekening of teruggave van Nederlandse dividendbelasting. Per saldo zou de binnenlands belastingplichtige dus 1,2% x € 1.298.245 = € 15.579 zijn verschuldigd. De stelling van de inspecteur dat ook het uitgekeerde dividend tot de heffingsgrondslag moet worden gerekend, wordt door de rechtbank verworpen. Men kan er namelijk van uitgaan dat dit al was verdisconteerd in de waarde van de aandelen per begin van het jaar.

Omdat de dividendbelasting in België niet kon worden verrekend, luidt de tussenconclusie dat de Belgische aandeelhouder inderdaad ongunstiger werd behandeld dan binnenlandse aandeelhouders. Hierdoor is het voor inwoners van België minder aantrekkelijk om in Nederlandse aandelen te beleggen. Daarom moet volgens de rechtbank worden aangenomen dat sprake is van een belemmering van de Europese vrijheid van kapitaalverkeer.

Vervolgens gaat de rechtbank na of er argumenten zijn op basis waarvan Nederland de ongunstige behandeling zou kunnen rechtvaardigen. De regel in het belastingverdrag tussen België en Nederland – die stelt dat de inwonerstaat, in dit geval België, de dividendbelasting moet verrekenen – kwalificeert volgens de rechtbank niet als een dergelijke rechtvaardigingsgrond. Dit omdat Nederland daarmee niet heeft gegarandeerd dat de per saldo hogere Nederlandse heffing in België wordt geneutraliseerd. Dit blijkt alleen al uit het feit dat België die verrekening niet geeft.

Ondanks het feit dat er geen andere rechtvaardigingsgronden zijn, ziet de rechtbank echter geen reden voor teruggaaf van de volledige dividendbelasting, zoals belanghebbende heeft bepleit. Het is volgens internationaal algemeen aanvaarde uitgangspunten niet aan de bronstaat om dubbele heffing weg te nemen, maar aan de woonstaat om een eventueel optredende dubbele belasting bij zijn inwoners weg te nemen, in dit geval dus België.

De rechtbank ziet wel aanleiding voor teruggaaf van belasting voor zover belanghebbende per saldo door de Nederlandse wetgeving ongunstiger wordt behandeld dan een binnenlandse aandeelhouder die wordt belast in box 3. Dat nadeel stelt de rechtbank vast op een bedrag van € 527 (€16.106 -/- € 15.579). Daarmee beslist de rechtbank voor het bovengenoemde tweede geschilpunt ten gunste van belanghebbende, waardoor deze dus recht heeft op teruggaaf van dit bedrag.

Commentaar KPMG Meijburg & Co
De ongunstige behandeling in het Nederlandse heffingssysteem bij particulieren over het dividend uit portfolioaandelen in Nederlandse vennootschappen wordt veroorzaakt door de verschillende heffingsmethoden. In box 3 geldt een tarief van 30% over 4% van het vermogen, terwijl het tarief voor de dividendbelasting 15% over het daadwerkelijk betaalde dividend is. Dit leidt ertoe dat bij een rendement van meer dan 8% de buitenlandse aandeelhouder slechter af is dan de binnenlandse aandeelhouder. De rechtbank heeft nu beslist dat dit nadeel een verboden belemmering is in de zin van de vrijheid van het kapitaalverkeer. Verder kan een buitenlandse aandeelhouder worden benadeeld als tegenover het aandelenpakket een schuld staat waarover rente is verschuldigd. Dan bestaat het nadeel eruit dat de schuld wél in mindering komt op het vermogen waarover bij de binnenlandse aandeelhouder in box 3 wordt geheven. De corresponderende rente is echter niet aftrekbaar voor de dividendbelasting ten laste van de buitenlandse aandeelhouder.

Dit is qua problematiek vergelijkbaar met die waarin Rechtbank Haarlem in augustus 2010 uitspraak deed. Hierbij werd het nadeel voor de in Frankrijk gevestigde aandeelhouder/vennootschap veroorzaakt door de niet-aftrekbaarheid van met het ontvangen dividend samenhangende kosten voor de Nederlandse dividendbelasting. Dit terwijl dergelijke kosten voor in Nederland gevestigde aandeelhoudersvennootschappen wel aftrekbaar zijn, namelijk voor de vennootschapsbelasting, en doordat de dividendbelasting verrekenbaar is met de vennootschapsbelasting. In een infractieprocedure van de Europese Commissie tegen Portugal heeft de advocaat-generaal bij het HvJ zich in maart 2010 positief uitgesproken over deze berekening van de bronheffing op nettobasis.

Een ander nadeel voor buitenlandse particulieren kan ontstaan, doordat het vermogen in box 3 wordt verminderd met de toepasselijke bedragen van het heffingvrije vermogen, terwijl deze vermindering niet geldt voor de dividendbelasting. De toelaatbaarheid van dit laatste onderscheid is momenteel in geschil voor de Hoge Raad, waarbij moet worden aangetekend dat de advocaat-generaal afwijzend heeft geconcludeerd.

Momenteel is nog onduidelijk of beroep is of wordt aangetekend tegen de uitspraak van Rechtbank Breda, die is gepubliceerd op 26 oktober 2011.