Op 24 oktober 2011 heeft de staatssecretaris van Financiën de nota’s naar aanleiding van de verslagen bij het Belastingplan 2012 naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin beantwoordt hij vragen die de Tweede Kamerfracties over het Belastingplan 2012 hebben gesteld. De nota’s gaan vergezeld van een aantal nota’s van wijziging. Hieronder volgt een beschrijving van de diverse nota’s op hoofdlijnen.
Vennootschapsbelasting
Renteaftrekbeperking overnameholdings
Voor een goed begrip van de wijzigingen en de nadere toelichtingen op het wetsvoorstel schetsen wij eerst de eerder bekendgemaakte hoofdlijnen van deze renteaftrekbeperkende maatregel voor overnameholdings in de vennootschapsbelasting (artikel 15ad Wet Vpb 1969, hierna: artikel 15ad).
Artikel 15ad tot nu toe (wetsvoorstel en memorie van toelichting)
Voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2012 wordt een renteaftrekbeperking in verband met overnames van kracht wanneer een overname wordt gefinancierd met vreemd vermogen en de overnemende partij en de target op of na 1 januari 2012 een fiscale eenheid vennootschapsbelasting aangaan. Artikel 15ad geldt ook voor rente die verband houdt met van derden verkregen financiering. De aftrekbeperking werkt op hoofdlijnen als volgt:
1. Overnamerente is allereerst aftrekbaar tot het bedrag van de ‘eigen winst’. Kort gezegd wordt deze winst bepaald door de winst van de fiscale eenheid te verminderen met het deel van die winst dat toerekenbaar is aan de verworven (en gevoegde) maatschappij(en).
2. Bedraagt de overnamerente meer dan de eigen winst, maar blijft dit meerdere beneden een bedrag van € 1.000.000 (‘franchise’), dan is de rente nog steeds geheel aftrekbaar.
3. Bedraagt de overnamerente meer dan de positieve eigen winst en overschrijdt het meerdere de franchise van € 1.000.000, dan is in beginsel aftrekbaar een bedrag ter grootte van de franchise vermeerderd met de positieve eigen winst, en is het meerdere niet aftrekbaar. Zie echter punt 4 en 5 hierna.
4. Overschrijdt het meerdere het bedrag van de franchise en de positieve eigen winst, dan is de overnamerente ook nog steeds volledig aftrekbaar als de ‘debt-equityratio’ van de fiscale eenheid binnen een bepaalde marge blijft (‘thincap-escape’). Deze ratio bedraagt 2:1. Daarbij moet de waarde van door de fiscale eenheid gehouden deelnemingen op de equity in mindering worden gebracht; dit geldt ook voor de fiscale reserves en de vermogensbestanddelen van buitenlandse vaste inrichtingen die kwalificeren voor de objectvrijstelling. Voor toepassing van de ratio worden rentedragende vorderingen en schulden niet gesaldeerd. Bij de bepaling van de omvang van de equity wordt het zogenoemde goodwillgat gerepareerd, zij het dat de bij te tellen goodwill over een periode van tien jaar lineair wordt afgeschreven.
5. Wordt niet voldaan aan de thincap-escape, dan wordt de niet-aftrekbare rente vastgesteld op het laagste van de volgende bedragen:
a) overnamerente minus positieve eigen winst minus € 1.000.000;
b) de overnamerente vermenigvuldigd met (het teveel aan vreemd vermogen gedeeld door de overnameschulden). De uitkomst van die breuk mag niet groter zijn dan 1.
De in een jaar niet-aftrekbare overnamerente wordt overgebracht naar het volgende jaar en in dat jaar weer getoetst aan de aftrekbeperking. Daarbij wordt voor de doorgeschoven rente niet opnieuw rekening gehouden met de franchise van € 1.000.000 en ook niet met de thincap-escape.
Wetswijziging (derde nota van wijziging)
Deze nieuwe maatregel wordt zodanig aangepast dat niet alleen een verwerving, maar ook de uitbreiding van een belang onder de werking ervan valt. Daarnaast gaat de maatregel ook gelden na liquidatie binnen fiscale eenheid van de overgenomen vennootschap. Voor toepassing van artikel 15ad wordt dan zowel die overgenomen vennootschap als de daarmee gevormde fiscale eenheid geacht voort te bestaan. Vereffening van het vermogen van de overgenomen vennootschap wordt geacht niet te hebben plaatsgevonden.
Het oorspronkelijke wetsvoorstel bevatte geen regels voor de wijze waarop de winst van de targets (in mindering te brengen op de winst van de fiscale eenheid) moet worden bepaald. In de nota van wijziging wordt dit ondervangen door de winstsplitsingsregels – die nu al van toepassing zijn bij het verrekenen van voorvoegingsresultaten – ook van toepassing te verklaren op artikel 15ad. Dit betekent dat de aan de targets toe te rekenen winsten moeten worden berekend alsof zij geen deel uitmaken van de fiscale eenheid (zelfstandigheidsbenadering).
Toelichtingen (nota naar aanleiding van het verslag)
Naast genoemde wetswijzigingen heeft de staatssecretaris gereageerd op de vele door de Tweede Kamer en derden gestelde vragen. De belangrijkste reacties hebben wij hierna opgenomen.
· Alternatief. De staatssecretaris bevestigt dat een overname die zelf niet excessief met vreemd vermogen is gefinancierd toch door de nieuwe maatregel kan worden getroffen, afhankelijk van de vermogensverhouding van de target. De staatssecretaris geeft wel aan dat het kabinet sympathie heeft voor het door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) voorgestelde alternatief van een transactiegebonden benadering, in plaats van een benadering op het niveau van de fiscale eenheid. Deze benadering houdt in dat de vraag of een overname met een teveel aan vreemd vermogen is gefinancierd, wordt beantwoord aan de hand van de overnameschuld en de overnameprijs, waarbij de overnameschuld niet meer mag zijn dan een bepaald percentage van de overnameprijs. In het voorstel van de NOB wordt uitgegaan van een percentage van 65, dat vervolgens elk jaar met 5% afneemt. Het voordeel van deze benadering is dat niet-overnameschulden geen invloed hebben op de renteaftrek betreffende de overname, dat aflossing van de overnameschuld leidt tot (meer) renteaftrek en dat vanwege het vaststaan van de overnameprijs (eerder) zekerheid bestaat over de mate waarin een belastingplichtige wordt getroffen door artikel 15ad. De staatssecretaris geeft aan hier constructief tegenover te staan als de Tweede Kamer de voorkeur geeft aan deze variant. Op korte termijn brengt het kabinet de uitvoerbaarheid al in kaart.
· Renten. De staatssecretaris bevestigt enerzijds dat – naast kosten – ook positieve en negatieve valutaresultaten onder het begrip ‘renten’ vallen. Tegelijkertijd valt een positief saldo van valutaresultaten en overnamerente naar zijn mening wel in de belastbare winst van de fiscale eenheid en vormt dit eigen winst, waar doorgeschoven 15ad-rente tegen kan worden afgezet.
· Verband houden met. Indien de overnemende maatschappij een lening aangaat om bestaande schulden van de overgenomen maatschappij over te nemen, is volgens de staatssecretaris sprake van een informele kapitaalstorting. Dit omdat de overgenomen maatschappij geen tegenprestatie verleent voor het overnemen van de schulden. Deze informele kapitaalstorting kan, afhankelijk van de feiten, kwalificeren als de verwerving of uitbreiding van een belang. Is dit het geval, dan is sprake van een lening die verband houdt met de verwerving of uitbreiding van een belang en wordt deze voor toepassing van artikel 15ad aangemerkt als overnameschuld.
· Belang. De nieuwe bepaling gaat uit van de verwerving (of uitbreiding) van een ‘belang’. De staatssecretaris geeft aan dat deze term ook middellijke participaties omvat. De winst van een later gevoegde 100%-dochter van de target komt dan ook niet in aanmerking als eigen winst.
· Belang. Wanneer een maatschappij een lening aangaat om een vordering op een fiscale-eenheidsdochter te kopen, is geen sprake van de verwerving of uitbreiding van een belang als bedoeld in artikel 15ad.
· Belang. Een optieovereenkomst kan er, afhankelijk van de inhoud daarvan, toe leiden dat sprake is van de verwerving of uitbreiding van een belang als bedoeld in artikel 15ad.
· Overnameschuld. Een door een gevoegde maatschappij aangetrokken lening die voor een kapitaalstorting wordt aangewend en waarmee bedrijfsactiviteiten (andere dan overnames) worden gefinancierd, wordt niet als overnameschuld in de zin van artikel 15ad aangemerkt voor zover daarbij geen sprake is van de verwerving of uitbreiding van een belang in een gevoegde dan wel te voegen maatschappij.
· Overnameschuld. De staatssecretaris geeft aan dat geen splitsing plaatsvindt van de overnameschuld in een deel dat ziet op de gevoegde maatschappij en een deel dat ziet op niet-gevoegde deelnemingen (van de overgenomen maatschappij).
· Eigen winst. Voor toepassing van artikel 15ad worden alle (volgtijdige) overnames samengevoegd. Dit betekent volgens de staatssecretaris dat de winst van een maatschappij waarvoor de overnameschuld (nog) niet volledig is afgelost, (nog) niet beschikbaar is als eigen winst. Met andere woorden: overnames die – al dan niet vanwege aflossing in een later stadium – geheel met eigen vermogen zijn gefinancierd, dragen bij aan de eigen winst. De winst van alle voor 1 januari 2012 verworven en gevoegde maatschappijen behoort tot de eigen winst, ongeacht de wijze van financiering.
· Eigen winst. De staatssecretaris licht toe dat als voeging plaatsvindt in de loop van een boekjaar, het bij de bepaling van de eigen winst gaat om de winst van de fiscale eenheid in dat betreffende boekjaar.
· Thincap-escape (vreemd vermogen). Saldering van vorderingen en schulden bij toepassing van de thincap-escape acht de staatssecretaris niet noodzakelijk. Hij is van mening dat met dergelijke activiteiten de mogelijkheid wordt vergroot om overnamerente in aftrek te kunnen brengen. Een fiscale eenheid wordt zo in feite ‘gestraft’ voor financieringsactiviteiten in Nederland waarmee een positieve marge wordt behaald.
· Thincap-escape (vreemd vermogen). Schulden waarbij helemaal geen rente in aanmerking wordt genomen, worden niet aangemerkt als vreemd vermogen. Dit geldt ook voor een deel van een verbonden schuld waarvan de rente in het geheel niet in aftrek komt op grond van artikel 10a Wet Vpb 1969. Schulden waarbij de rente deels niet in aftrek komt, worden niet deels buiten beschouwing gelaten. Dergelijke schulden tellen dus volledig mee als vreemd vermogen.
· Thincap-escape (eigen vermogen). Een van de vragen die bij het ingediende wetsvoorstel opkwam is of het eigen vermogen van de fiscale eenheid wordt gerepareerd voor een goodwillgat dat ontstaat bij voeging van een geheel met eigen vermogen gefinancierde aankoop. Volgens de staatssecretaris is dit niet het geval. Het goodwillgat wordt dus alleen gerepareerd bij overnames waarop de overnameholdingbepaling van toepassing is. Een goodwillgat dat ontstaat bij voeging voor 1 januari 2012 wordt dus ook niet gerepareerd.
· Thincap-escape (eigen vermogen). Het fiscaal eigen vermogen omvat tevens schulden die fiscaal als eigen vermogen worden beschouwd.
· Doorgeschoven 15ad-rente. Als de fiscale eenheid met de verworven maatschappij wordt verbroken, kan de op dat moment gestalde (doorgeschoven) overnamerente zonder beperking worden verrekend met de winst van de voormalige moedermaatschappij. Het is de vraag of deze winst ook de winst van de eventueel resterende gevoegde maatschappijen omvat.
· Buitenlandse vaste inrichting. De staatssecretaris bevestigt dat vermogensbestanddelen en winst van een buitenlandse vaste inrichting buiten beschouwing blijven, zowel bij de berekening van het teveel aan overnamerenten als voor de bepaling van de eigen winst.
· Overgangsrecht. De staatssecretaris bevestigt dat de eerbiedigende werking ook geldt bij latere herfinanciering van de overnameschuld en bij juridische fusie binnen een voor 1 januari 2012 gevormde fiscale eenheid.
· Beëindiging. De staatssecretaris bevestigt dat de toepassing van artikel 15ad eindigt met de aflossing van de overnameschuld en met de ontvoeging van de verworven maatschappij. Zolang de overnameschuld en de verworven maatschappij tot de fiscale eenheid behoren, blijft de overnameholdingbepaling dus van toepassing.
Bosal-rente
Het kabinet studeert nog steeds op een maatregel die uitvoering geeft aan de eerder dit jaar door de Tweede Kamer aanvaarde motie om de aftrek van deelnemingsrente, het zogenoemde Bosal-gat, te beperken. Daarbij zal het kabinet rekening houden met het advies van de voorzitter van het Topteam Hoofdkantoren, om te waarborgen dat het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat zo veel mogelijk wordt ontzien. In dat wetsvoorstel zal ook nader worden ingegaan op de diverse bestaande renteaftrekbeperkingen.
Enerzijds zal de budgettaire opbrengst van de reparatie van het Bosal-gat worden gebruikt voor de financiering van de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting voor woningen. Anderzijds is het de bedoeling dat deze overeenkomstig het regeerakkoord zal worden aangewend voor verlaging van het vennootschapsbelastingtarief. Het is niet duidelijk wat de omvang van de tariefsverlaging zal zijn en per wanneer deze zal worden doorgevoerd.
Loonheffingen, afdrachtverminderingen en sociale zekerheid
|
Bij een belastbaar loon van meer dan |
Maar niet meer dan |
Belasting-
Tarief |
Premies
volksver- zekeringen |
Premies volksverz. 65+ |
Gecombi-
neerd tarief |
Gecombi-
neerd tarief 65+ |
|
- |
€ 18.945 |
1,95% |
31,15% |
13,25% |
33,10% |
15,20% |
|
€ 18.945 |
€ 33.863 |
10,80% |
31,15% |
13,25% |
41,95% |
24,05% |
|
€ 33.863 |
€ 56.491 |
42,00% |
|
|
42,00% |
42,00% |
|
€ 56.491 |
|
52,00% |
|
|
52,00% |
52,00% |
Verhoging premiegrens inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet
Het kabinet verhoogt de maximum premie-inkomensgrens van de inkomensafhankelijke premie van € 33.427 in 2011 naar € 50.065 in 2012. Het percentage voor de inkomensafhankelijke premie daalt van 7,75 in 2011 naar 7,10 in 2012.
Vitaliteitspakket
· De stortingen op een vitaliteitsrekening zullen fiscaal aftrekbaar zijn in box 1. Er wordt pas belasting geheven bij opname van het tegoed. Dit betreft een heffing door middel van inhouding door de bank of verzekeraar tegen een vast tarief van 42%. Ter verduidelijking: bij de verrekening in de inkomstenbelasting zal de belastingplichtige, onder omstandigheden en afhankelijk van het voor hem geldende marginale belastingtarief, ofwel aanvullend inkomstenbelasting zijn verschuldigd ofwel recht hebben op een belastingteruggaaf.
· De overgangsregeling voor de levensloopregeling wordt ten opzichte van het wetsvoorstel op de volgende punten aangepast:
o Aanvankelijk was het wetsvoorstel om de levensloopregeling vanaf 2012 nog open te houden voor deelnemers die op 31 december 2011 een positief saldo op hun levenslooprekening hebben staan. Vanaf 1 januari 2013 zou de levensloopregeling alleen gaan gelden voor deelnemers die voor 1 januari 2013 de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt. Deze leeftijdsgrens is losgelaten.
o De gewijzigde overgangsregeling is erop gericht actief spaargedrag in het verleden te belonen. Deelnemers die op 31 december 2011 een saldo hebben van ten minste € 3.000 (inclusief rendement) kunnen daarom nog blijven deelnemen aan de levensloopregeling onder de huidige voorwaarden.
o Vanaf 2012 wordt echter geen levensloopkorting meer opgebouwd. De tot die tijd opgebouwde rechten kunnen worden verzilverd bij opname van het spaartegoed of bij de omzetting van het levenslooptegoed in vitaliteitssparen. De verzilvering van de opgebouwde levensloopkorting kan in het jaar van de omzetting worden geclaimd via de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting of bij de aangifte inkomstenbelasting over dat jaar.
o Deelnemers die op 31 december 2011 een levenslooptegoed hebben van minder dan € 3.000 kunnen vanaf 1 januari 2012 niet langer deelnemen aan de levensloopregeling. Zij kunnen het tegoed in 2012 of in 2013 opnemen voor verlof, of het in 2013 onbelast doorstorten naar vitaliteitssparen. Het levenslooptegoed dat niet is opgenomen of is doorgestort, valt aan het eind van 2013 na inhouding van loonheffingen vrij.
o Deelnemers die op 31 december 2011 een levenslooptegoed hebben van meer dan € 3.000 mogen vanaf 1 januari 2012 nog steeds blijven deelnemen aan de levensloopregeling onder de huidige voorwaarden. Zij kunnen het tegoed in 2013 echter ook onbelast doorstorten naar vitaliteitssparen, ook als de waarde van het tegoed hoger is dan het maximum van € 20.000. Daarnaast kunnen deze deelnemers ook na 2013 hun levenslooptegoed fiscaal geruisloos doorstorten naar vitaliteitssparen. Voor die jaren geldt echter wel het maximum dat in vitaliteitssparen wordt gefaciliteerd (2013: € 20.000). Over het eventuele meerdere moeten loonheffingen worden betaald bij de aanslag over het desbetreffende jaar. De levensloopkorting wordt ook in deze situaties verrekend.
· Er komen maatregelen die het gebruik van vitaliteitssparen voor volledig vervroegd uittreden verder ontmoedigen. Het voorstel is om het vitaliteitstegoed volledig te belasten bij de belastingplichtige die meer dan € 10.000 uit vitaliteitssparen opneemt in de kalenderjaren na het kalenderjaar waarin hij de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Nagedacht wordt over voorstellen om de feitelijke opname van meer dan € 10.000 in deze situaties te blokkeren.
Afschaffing spaarloonregeling
Deelnemers aan de spaarloonregeling kunnen vanaf 1 januari 2012 hun tegoed fiscaal vrijgesteld opnemen of laten staan op de spaarloonrekening. In het laatste geval kunnen zij gebruik blijven maken van de vrijstelling voor spaarloon in box 3. De blokkeringstermijn van vier jaar komt na 1 januari 2012 te vervallen. Dat betekent dat na een tussentijdse opname van een deel van het spaarloontegoed de vrijstelling in box 3 in beginsel van toepassing blijft op het resterende saldo.
Aanpassing afdrachtvermindering S&O: verlaging loongrens eerste schijf
Ter verduidelijking: de afdrachtvermindering speur- & ontwikkelingswerk (hierna: afdrachtvermindering) is een fiscale tegemoetkoming voor inhoudingsplichtigen die speur- en ontwikkelingswerk (hierna: S&O) verrichten. Deze stimuleringsmaatregel is vormgegeven als een korting op de af te dragen loonheffingen. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet de betreffende inhoudingsplichtige wel beschikken over een zogenoemde S&O-verklaring. De loongrenzen en percentages worden om budgettechnische redenen elk jaar aangepast. Voor 2012 bedraagt de afdrachtvermindering:
· 42% (2011: 50%) van de eerste € 110.000 (2011: € 220.000) aan S&O-loon van de inhoudingsplichtige;
· 60% (2011: 64%) van de eerste € 110.000 (2011: € 220.000) aan S&O-loon voor een startende inhoudingsplichtige;
· 14% (2011: 18%) van het resterende S&O-loon.
De afdrachtvermindering bedraagt per inhoudingsplichtige maximaal € 14.000.000 per kalenderjaar. Vanaf 2013 zal het maximumbedrag worden verlaagd naar € 8.500.000. De loongrens in de eerste schijf wordt dan € 150.000 en het percentage 45. Voor starters blijft het percentage in de eerste schijf 60.
Werkkostenregeling
Los van het Belastingplan 2012 heeft een tussenevaluatie van de werkkostenregeling plaatsgevonden. De resultaten hiervan zijn:
· Met ingang van 1 januari 2013 (voorziene invoering van de Wet uniformering loonbegrip) stijgt de forfaitaire ruimte van 1,4% naar 1,6% van de fiscale loonsom.
· Individuele vastlegging in de administratie van eigen bijdragen per werknemer voor loon in natura (bijvoorbeeld kantinemaaltijden) is niet langer vereist bij aanwijzing van dit loon als eindheffingsbestanddeel. Het totaal van de eigen bijdragen van de werknemers mag in mindering worden gebracht (maar niet verder dan nihil).
· Er komen vooralsnog niet meer gerichte vrijstellingen, gelet op het doel van de werkkostenregeling om daarin minder detailregelingen op te nemen dan onder het oude systeem.
· De voor 2013 aangekondigde vervolgevaluatie van de werkkostenregeling zal eerder plaatsvinden.
Bestuurders van beursvennootschappen
Door de Wet bestuur en toezicht die per 1 januari 2012 van kracht wordt, worden bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen geacht niet langer een civielrechtelijke dienstbetrekking te hebben. Dit gegeven heeft ook direct invloed op de positie van die bestuurders voor de loonbelasting en premies werknemersverzekeringen. Omdat voor de toepassing van de loonbelasting en de premies werknemersverzekeringen in principe wordt aangesloten bij het hebben van een civielrechtelijke dienstbetrekking, zouden de betreffende bestuurders voor de toepassing van die wetten niet langer als werknemer kwalificeren. Hierdoor zou voor hen dus ook geen inhoudingsplicht en verzekeringsplicht meer bestaan. Dat vond de wetgever onwenselijk en dus geldt vanaf 1 januari 2012 dat bestuurders van een beursgenoteerde vennootschap worden geacht tot die vennootschap in een fictieve dienstbetrekking te staan.
De 30%-regeling
Als men onder de huidige wetgeving in aanmerking wil komen voor de 30%-regeling, dan moet onder andere worden aangetoond dat sprake is van specifieke deskundigheid en schaarste op de Nederlandse arbeidsmarkt. In het Belastingplan 2012 is gekozen voor de introductie van een salarisnorm van € 50.619 per jaar als invulling van deze specifieke deskundigheid (inclusief onbelaste vergoeding op grond van de 30%-regeling is de norm € 72.313). Van diverse kanten is kritiek geuit op de introductie van deze salarisnorm om voor de 30%-regeling in aanmerking te komen. De staatssecretaris komt niet tegemoet aan deze kritiek en handhaaft zijn voorstel. Werknemers die niet aan de norm voldoen, kunnen overigens wel de werkelijke extraterritoriale kosten onbelast vergoed krijgen.
Voldoet een werknemer onder de nieuwe wetgeving aan de salarisnorm, dan zal – sneller dan nu het geval is – worden aangenomen dat sprake is van schaarste. Hierop wordt echter wel een uitzondering gemaakt voor specifieke beroepsgroepen waarbij alle werknemers voldoen aan de nieuwe salarisnorm. De staatssecretaris noemt hierbij profvoetballers als voorbeeld. In deze gevallen zal altijd worden getoetst of sprake is van schaarste.
Onder de huidige wetgeving wordt een werknemer geacht te hebben voldaan aan de criteria van specifieke deskundigheid en schaarste indien sprake is van een tijdelijke uitzending binnen concernverband naar Nederland. In het Belastingplan 2012 werd niet vermeld of deze faciliteit blijft bestaan. De staatssecretaris geeft nu aan dat hij van plan is om de 'concernroulatiebepaling' te handhaven, waarbij hij de kanttekening maakt dat ook deze werknemers moeten voldoen aan de salarisnorm. De toegevoegde waarde van het handhaven van de concernroulatiebepaling is dan ook zeer beperkt en bestaat eruit dat het elke onzekerheid wegneemt over de vraag of is voldaan aan het schaarstecriterium.
Werknemers die woonachtig zijn binnen een straal van 150 kilometer van de Nederlandse grens komen niet langer in aanmerking voor de 30%-regeling. Deze nieuwe toets wordt geïntroduceerd om verdringing van Nederlanders op de arbeidsmarkt in de grensstreek tegen te gaan. Ook dit voorstel blijft ongewijzigd.
Dividendbelasting
Inhoudingsplicht coöperaties
Op grond van het wetsvoorstel kunnen coöperaties in specifiek omschreven situaties van oneigenlijk gebruik inhoudingsplichtig worden voor de dividendbelasting. Daarbij speelt ook de kwalificatie van het lidmaatschapsrecht in de coöperatie een belangrijke rol. De staatssecretaris heeft bevestigd dat met het wetsvoorstel geen wijziging is beoogd ten opzichte van het bestaande uitvoeringsbeleid. Reeds bestaande coöperaties die zijn opgericht binnen de kaders van dat beleid krijgen onder de nieuwe bepalingen niet te maken met inhoudingsplicht. Ook onder de nieuwe bepalingen kan de afwezigheid van inhoudingsplicht van een coöperatie worden voorgelegd aan de Belastingdienst.
Inkomstenbelasting
Defiscalisering erfrechtelijke verkrijgingen
In het wetsvoorstel is de regeling uitgebreid voor defiscalisering van vorderingen en schulden tussen een kind en de langstlevende ouder die tot stand zijn gekomen krachtens erfrecht. In de nota van wijzing worden twee wijzingen aangebracht. De eerste is dat de defiscalisering alleen geldt voor niet-opeisbare vorderingen. Daarnaast wordt de wettekst zodanig aangepast dat ook niet-opeisbare geldvorderingen van kinderen op de langstlevende ouder die niet met de erflater was gehuwd, onder de defiscaliseringsbepaling vallen.
Maatregelen auto
De grenswaarden voor de CO2-emissieschijven in de Wet BPM worden jaarlijks per 1 januari (in 2012 per 1 juli) naar beneden bijgesteld tot en met 2015. In de nota naar aanleiding van het verslag geeft de staatssecretaris van Financiën aan dat een evaluatie van de effecten van dit beleid ruimschoots voor 2015 zal plaatsvinden, ook met het oog op een eventuele verdere herijking voor de periode 2016-2020.
Bijtelling loonbelasting/inkomstenbelasting
Voor auto’s met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km die voor 1 januari 2012 op kenteken zijn gezet wordt verduidelijkt dat de nihilbijtelling met ingang van 1 januari 2012 geldt voor een periode van 60 maanden, dus tot en met 2016.
Verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto
In de voorgestelde regeling over de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt verduidelijkt dat de inhoudingsplichtige geen bijtelling hoeft toe te passen voor de bestelauto van de zaak, tenzij hij weet dat dat de verklaring niet juist is. Bij algemene maatregelen van bestuur zal nog worden bepaald:
· op welke wijze de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt afgegeven en ingetrokken;
· in welke gevallen de werknemer de verklaring in ieder geval moet intrekken;
· in welke gevallen de inhoudingsplichtige de inspecteur schriftelijk moet mededelen dat de werknemer de verklaring ten onrechte niet heeft ingetrokken en welke gegevens de inhoudingsplichtige bij deze mededeling moet verstrekken;
· op welke wijze de inspecteur naar aanleiding van een dergelijke mededeling bekendmaakt dat de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto wordt geacht te zijn ingetrokken;
· vanaf welk moment de verklaring in dat geval wordt geacht te zijn ingetrokken.
Vervolg
Nadere parlementaire behandeling van de wetsvoorstellen moet nog plaatsvinden, zodat naar aanleiding daarvan nog wijzigingen kunnen optreden. Het verwachte behandelschema van het Belastingplan 2012 is als volgt. Op 31 oktober en 7 november 2011 vinden (openbare) wetgevingsoverleggen plaats van de Vaste Commissie van Financiën in de Tweede Kamer. De plenaire behandeling in de Tweede Kamer vindt plaats op 15 en 16 november 2011, gevolgd door de stemming op 17 november 2011. Na een technische briefing op 8 november 2011 en voorbereidend onderzoek op 29 november 2011 is de plenaire behandeling door de Eerste Kamer voorzien voor 12 en 13 december 2011.