Recent heeft Hof Arnhem na verwijzing door de Hoge Raad beslist dat een pand, dat door twee tandartsen is aangeschaft om het na een verbouwing te verhuren aan de vennootschap waarin ze hun praktijk uitoefenen, vanaf het moment van aanschaf al onder de terbeschikkingstellingsregeling (hierna: tbs-regeling) in box 1 valt.
Moment van aanvang terbeschikkingstelling
Als hoofdregel is de tbs-regeling pas van toepassing vanaf het moment dat het desbetreffende vermogensbestanddeel feitelijk ter beschikking wordt gesteld aan de vennootschap waarin de belastingplichtige of een verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft. De Hoge Raad heeft op 22 januari 2010 echter een uitzondering op deze hoofdregel gemaakt. Het betrof een tandartsenechtpaar dat een pand had aangeschaft om na verbouwing vanuit privé te verhuren aan de vennootschap waarin ze hun praktijk uitoefenden. In geschil was vanaf welk moment de tbs-regeling van toepassing was op het pand: meteen vanaf de aanschaf of pas vanaf de feitelijke ingebruikname van het pand door de vennootschap. De Hoge Raad besliste dat een pand al vanaf het moment van aanschaf onder de tbs-regeling valt als:
1. de belastingplichtige het pand heeft aangekocht met de bedoeling het ter beschikking te stellen aan de vennootschap en het pand voor dat gebruik gereed wordt gemaakt;
2. deze gezamenlijke bedoeling van partijen vooraf schriftelijk is vastgelegd;
3. vanaf het moment van aanschaf geen ander gebruik heeft plaatsgevonden.
Geen schriftelijke overeenkomst
Als een schriftelijke overeenkomst ontbreekt, dan kan volgens de Hoge Raad het moment van aanschaf toch gelden als aanvangstijdstip voor de tbs-regeling als de aanschaf en het gereedmaken onder zodanige omstandigheden plaatsvonden dat, als de gebruiker een niet-gelieerde persoon zou zijn geweest, de aanschaf en het gereedmaken vooraf met hem zouden zijn afgestemd. In het berechte geval ontbrak een schriftelijke overeenkomst. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Arnhem om te onderzoeken of aan het 'afstemmingscriterium' was voldaan. Hof Arnhem heeft nu dus beslist dat dit het geval was. De verbouwing van het pand, en dan in het bijzonder het aan te leggen leidingwerk voor de behandelkamers, was zo specifiek voor een tandartsenpraktijk dat, als de toekomstige huurder een derde zou zijn geweest, dit zeker vooraf met hem zou zijn afgestemd.