Kabinet verkent uniformering overdrachtsbelasting: tarieven van 3,7% of 2,8% mogelijk

22 oktober 2026
verhuur vastgoed

In een brief aan de Tweede Kamer van 16 oktober 2026 bespreekt de staatssecretaris van Financiën de mogelijkheden om de overdrachtsbelasting te uniformeren. Door de invoering van verschillende tarieven en de startersvrijstelling is de overdrachtsbelasting de afgelopen jaren steeds complexer geworden. Dit leidt onder meer tot afbakeningsvraagstukken en extra werkzaamheden voor belastingplichtigen, notarissen en de Belastingdienst.

De staatssecretaris bespreekt twee varianten voor een structureel budgetneutraal uniform tarief. Bij behoud van de startersvrijstelling zou het uniforme tarief uitkomen op ongeveer 3,7%. Wanneer ook de startersvrijstelling wordt afgeschaft, zou een tarief van ongeveer 2,8% mogelijk zijn. In beide varianten blijft het afzonderlijke tarief van 4% voor de verkrijging van aandelen in bepaalde onroerendezaakrechtspersonen behouden. Er is daarmee geen sprake van één tarief voor alle verkrijgingen.

Het betreft vooralsnog een beleidsverkenning. Het kabinet heeft nog geen keuze gemaakt voor uniformering.

Gevolgen voor de vastgoedmarkt

Een uniform tarief zou met name voor vastgoedbeleggers en ontwikkelaars een aanzienlijke verlaging van de overdrachtsbelasting betekenen. Voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt, zou het tarief dalen van de huidige 8% naar 3,7% of 2,8%. In het Belastingplan 2027 is reeds voorgesteld dit tarief per 2027 te verlagen naar 7%. Voor onder meer bedrijfsvastgoed, maatschappelijk vastgoed en participaties in vastgoedfondsen zou het huidige tarief van 10,4% dalen naar 3,7% of 2,8%.

Een lager tarief kan investeringen in huurwoningen aantrekkelijker maken en de financiële haalbaarheid van transformatieprojecten en gebiedsontwikkelingen verbeteren. De staatssecretaris wijst er echter op dat onzeker is in hoeverre een verlaging van de overdrachtsbelasting daadwerkelijk leidt tot een groter aanbod van middenhuurwoningen.

Voor doorstromers zou uniformering minder gunstig uitpakken. Het huidige tarief van 2% voor de verkrijging van een eigen woning zou stijgen naar 3,7% respectievelijk 2,8%. Dit kan de doorstroming op de woningmarkt belemmeren.

Voor starters hangt het effect af van de gekozen variant. Bij behoud van de startersvrijstelling verandert de positie van starters die aan de voorwaarden voor de vrijstelling voldoen in beginsel niet. Indien de startersvrijstelling wordt afgeschaft, zouden starters die momenteel van de vrijstelling gebruik kunnen maken voortaan overdrachtsbelasting verschuldigd zijn. Hierdoor moeten zij mogelijk langer sparen voordat zij een woning kunnen kopen.

Vereenvoudiging van de uitvoering

Naast de mogelijke gevolgen voor de vastgoedmarkt kan uniformering de uitvoering van de overdrachtsbelasting aanzienlijk vereenvoudigen. De huidige tariefdifferentiatie vereist verschillende beoordelingen, onder meer ten aanzien van het hoofdverblijfcriterium en de voorwaarden voor toepassing van de startersvrijstelling. Bij uniformering zouden deze beoordelingen geheel of gedeeltelijk komen te vervallen. De vereenvoudiging is het grootst in de variant waarin ook de startersvrijstelling wordt afgeschaft.

Vervolg

Het kabinet heeft nog geen besluit genomen over de uniformering van de overdrachtsbelasting. Volgens de Belastingdienst is invoering op zijn vroegst mogelijk per 1 januari 2028. De staatssecretaris zal de mogelijke uniformering verder met de Tweede Kamer bespreken. Hoewel nog geen besluit is genomen, kunnen de onderzochte varianten met name voor vastgoedbeleggers en ontwikkelaars een aanzienlijke verlaging van de overdrachtsbelasting betekenen.

© 2026 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.