Hof Amsterdam: rente op ‘debt push down’ in acquisitiestructuur niet aftrekbaar onder art. 10a Wet Vpb 1969

26 augustus 2026
Hof Amsterdam: rente op ‘debt push down’ in acquisitiestructuur niet aftrekbaar onder art. 10a Wet Vpb 1969

Hof Amsterdam heeft op 20 augustus 2026 uitspraak in hoger beroep gedaan over de vraag of rente op een intra-groeps ‘debt push down’ na een acquisitie fiscaal aftrekbaar is. In tegenstelling tot de rechtbank oordeelt het hof dat de rente in deze zaak niet aftrekbaar is vanwege de renteaftrekbeperking in art. 10a Wet Vpb 1969. Het hof oordeelt daarbij dat zowel de rechtshandeling als de wijze van financiering van deze debt push down-structuur hoofdzakelijk is ingegeven door fiscale motieven.

Feiten van de zaak: acquisitie en ‘debt push down’

Deze zaak zag op de overname in 2017 van een internationale retailketen door een investeerder voor een bedrag van ongeveer GBP 1,5 miljard. De overname werd voor ongeveer GBP 800 miljoen gefinancierd met een externe bankschuld. Deze overname vond hoofdzakelijk plaats via een daartoe opgerichte overnamestructuur in het Verenigd Koninkrijk, bestaande onder andere uit een financieringsentiteit (‘F Ltd’) die de bankschuld opnam, en een overnameholding (‘H Ltd’) die de aandelen in de tophoudster van de retailgroep overnam van de verkoper.

De retailketen hield onder meer een Nederlandse deelneming en beoogd was om na de overname middels een herstructurering een deel van de bankschuld (€ 140 miljoen) in wezen door de Nederlandse onderneming te laten dragen (een ‘debt push down’). In het kort werd de debt push down als volgt tot stand gebracht:

  • De financieringsentiteit, F Ltd, richtte voorafgaand aan de overname een Nederlandse holding op, H BV. Deze holding werd door F Ltd gefinancierd met ongeveer € 233 miljoen, bestaande uit € 93 miljoen aan kapitaal, en een lening van € 140 miljoen. Beoogd was dat F Ltd met deze intra-groepslening in wezen een deel van diens externe bankschuld zou doorlenen aan H BV.
  • Dit gehele bedrag van € 233 miljoen werd door H BV in de vorm van een lening verstrekt aan de H Ltd die de aandelen in de Nederlandse werkmaatschappij van de retailketen zou overnemen van de verkoper.
  • Nadat de aandelen in de groep waren overgenomen van de derde, werden de aandelen in de Nederlandse deelneming binnen de groep overgedragen aan H BV. De koopprijs voor deze Nederlandse deelneming bedroeg € 233 miljoen, en H BV voldeed deze koopsom door diens vordering over te dragen.

Gevolg van deze stappen was dat H BV de aandelen in de Nederlandse deelneming had verkregen die in wezen voor € 140 miljoen gefinancierd waren met de groepslening. Door een fiscale eenheid aan te gaan met de Nederlandse deelneming, zou H BV de rentelasten op de groepslening van € 140 miljoen kunnen afzetten tegen de resultaten van de Nederlandse retailonderneming.

Fiscale achtergrond en eerder verloop van de procedure

De inspecteur stelde in deze zaak dat de rente op de groepslening niet-aftrekbaar was vanwege, onder meer, de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb 1969. Dit wetsartikel regelt dat rente op een lening van een verbonden lichaam niet aftrekbaar is (onder meer) wanneer deze lening gebruikt is voor de overname van aandelen als er daarna verbondenheid ontstaat, tenzij de belastingplichtige – H BV – aannemelijk maakt dat er zakelijke motieven ten grondslag lagen aan de lening en de overname van aandelen, dan wel voldoende compenserende heffing wordt geheven over de rentebaten bij de crediteur (de tegenbewijsregeling).    

Doorgaans wordt bij een externe acquisitie aangenomen dat de rechtshandeling (overname van aandelen van een derde partij) zakelijk is. Een rechtstreeks verstrekte banklening zou daarnaast in principe niet binnen het bereik van de renteaftrekbeperking vallen. Als daarentegen een interne groepslening feitelijk afkomstig is van externe bankfinanciering, dan valt de lening wel binnen het bereik van de renteaftrekbeperking maar kan deze financiering zakelijk zijn als bijvoorbeeld de financiering in feite een-op-een onder dezelfde voorwaarden is doorgeleend. Dit laatste wordt omschreven als ‘parallellie’ tussen de interne en externe schuld, waarbij volgens de Hoge Raad in ieder geval – en in onderlinge samenhang – moet worden gekeken naar de looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang van de lening, en het tijdstip van aangaan van de lening (de zogenoemde LAROT-criteria).

Hoewel de overname van de retailketen vanuit de investeerder bezien een externe overname was en daarvoor externe schuld was aangetrokken, was H BV in feite enkel betrokken bij intra-groepstransacties. De aandelen in de Nederlandse deelneming werden niet van een derde maar van een groepsmaatschappij overgenomen, en de lening was verstrekt door F Ltd, een verbonden lichaam. De vraag lag voor of deze wijze van structurering toelaatbaar (zakelijk) was in het licht van art. 10a Wet Vpb 1969.

De Rechtbank Noord-Holland oordeelde in augustus vorig jaar nog dat een zakelijk motief ten grondslag lag aan de debt push down, en dat de groepslening vrijwel volledig parallel liep aan de externe financiering. Het viel daarnaast ook binnen de keuzevrijheid van de belastingplichtige om de financiering en structurering van de externe overname op deze wijze vorm te geven. Het oordeel van de rechtbank was dan ook dat deze rentelasten ter zake van de lening na de debt push down, niet in aftrek beperkt werden door art. 10a Wet Vpb 1969. 

Overwegingen hof: Geen zakelijke structuur, en geen parallellie 

Hof Amsterdam komt tot een ander oordeel dan de rechtbank. Naar het oordeel van het hof is niet aan de tegenbewijsregeling voldaan, in de eerste plaats omdat er onvoldoende bewijs is aangedragen voor zakelijke redenen van de rechtshandeling (de interne verhanging). Gesteld werd bijvoorbeeld dat door de debt push down de externe bankschuld efficiënter zou kunnen worden betaald, via de interne lening. Het hof gaat hier niet in mee. Het constateert dat die interne rente zou moeten worden gefinancierd uit dividenden van de Nederlandse deelneming, en daarnaast dat dit niet als overweging is benoemd om de herstructurering vorm te geven. Uit de aangedragen bewijsmiddelen, waaronder hoofdzakelijk een Tax Structure Paper, concludeert het hof echter dat de debt push down hoofdzakelijk vanuit fiscale overwegingen is ingegeven. Daar leidt het hof een dubbel fiscaal voordeel uit af: enerzijds renteaftrek tegen het hogere Nederlandse Vpb-tarief tegenover heffing tegen een lager tarief in de UK, en anderzijds een fiscaal voordeel in de UK omdat de debt push down ruimte geeft voor additionele renteaftrek op een lening van een Jersey groepsvennootschap, zonder dat de rentebate aldaar in de heffing werd betrokken. 

Daarnaast beslist het hof op basis van de verschillende in de rechtspraak ontwikkelde criteria voor parallelliteit dat daarvan geen sprake is, zodat de financiering eveneens niet zakelijk wordt geacht. Het hof kent veel betekenis toe aan het doel van de financiering. Uit de financieringsdocumentatie zou blijken dat de lening vooral bedoeld was om de retailketen over te nemen, en wordt geen blijk gegeven van de doelstelling om een deel van de lening intern door te lenen. Ook is het geld van de gehele financiering via de notarisrekening rechtstreeks aan de verkoper betaald, en daarom volgens het hof ‘feitelijk niet aangewend’ voor de interne lening. Dit lijkt voor het hof al voldoende te zijn om geen parallelliteit in aanmerking te nemen. 

Dat de voorwaarden in de interne en externe leningen gelijkluidend zijn, leidt niet tot een andere conclusie. Hierbij is volgens het hof relevant dat in de praktijk andere uitvoering werd gegeven aan de voorwaarden: 

  • Aflossingsschema: Een deel van de interne lening was in een later jaar afgelost terwijl de externe lening niet was afgelost.
  • Looptijd: Op enig moment is de schuld, ondanks overeengekomen looptijd van 7 jaar, als kortlopende vordering op de balans van de jaarrekening en de aangifte Vpb vermeld. Het feit dat dit pas na constatering bij de rechtbank is aangepast, zou duiden op een ‘grote fout’ en indicatief voor de looptijd zijn.
  • Rentevergoeding: hoewel op de externe schuld de rente feitelijk betaald werd, was niet aangetoond dat ook op de interne lening feitelijk rente werd betaald. Ook zou de jaarrekening een ander rentepercentage op de lening laten zien dan de leningovereenkomst.

Aan inhoudelijke beoordeling van eventuele compenserende heffing over de rentebaten in de UK komt het hof ook niet toe, nu het vaststelt dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat niet voldaan is aan de dubbele zakelijkheidstoets. Met die vaststelling kan de compenserende heffingstoets eveneens niet meer tot renteaftrek leiden.

Formeelrechtelijk aspect: het niet-plaatsen van een ‘vinkje’ in de aangifte

Een ander voor de praktijk relevant punt in deze procedure, zag op de formeelrechtelijke aspecten van de renteaftrekbeperking. In de belastingaangifte was de volgende vraag opgenomen: ‘Maakt u in dit boekjaar gebruik van de tegenbewijsregeling van artikel 10a Vpb?’ H BV had deze vraag niet bevestigend beantwoord (geen ‘vinkje’ gezet). Naar het oordeel van zowel de rechtbank als het hof heeft H BV in het aangiftebiljet ten onrechte geen vink geplaatst ter bevestigend antwoord op die vraag. Volgens het Trustvraagarrest van de Hoge Raad heeft dit in beginsel tot gevolg dat de wettelijk vereiste aangifte niet is gedaan met als gevolg dat H BV in deze procedure overtuigend zal moeten aantonen dat de inspecteur de renteaftrekbeperking in art. 10a Wet Vpb 1969 onjuist heeft toegepast (omkering en verzwaring van de bewijslast).

De rechtbank kwam echter tot het oordeel dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast in dit geval disproportioneel zou zijn en dus achterwege moest blijven. Hierbij achtte de rechtbank relevant dat de sanctie in het algemeen tot doel heeft om de inspecteur tegemoet te komen in een informatieachterstand die ontstaat als de belastingplichtige bij het doen van aangifte niet alle – juiste – informatie heeft verstrekt. In casu was de inspecteur echter op de hoogte van de 10a-positie van H BV, zodat geen sprake was van een informatieachterstand bij de inspecteur. De rechtbank achtte het niet plaatsen van het ‘10a-vinkje’ dan ook van onvoldoende gewicht om de sanctie te rechtvaardigen.

Het hof heeft de sanctie wel toegepast. Naar het oordeel van het hof was H BV, ondanks dat de inspecteur wist van haar 10a-positie, nog steeds wettelijk verplicht om de vereiste aangifte te doen. Gelet op de hoogte van de geclaimde renteaftrek, acht het hof de sanctie gerechtvaardigd. Het hof lijkt wel te bevestigen dat het wel of niet aanwezig zijn van een pleitbaar standpunt relevant is voor de vraag of de sanctie is gerechtvaardigd, maar hier acht het hof geen pleitbaar standpunt aanwezig omdat de verbondenheid “evident” is. Echter, aangezien het hof reeds voor de vaststelling van deze verzwaarde bewijslast had geoordeeld dat de rente niet aftrekbaar zou zijn, blijft dit in casu voor het voornaamste discussiepunt zonder gevolg. Tot slot gaat het hof wel nog in op een rentekostenpost van € 82.911 die volgens belanghebbende was opgekomen voordat de overname had plaatsgevonden. Hier wordt belanghebbende wel de verzwaarde bewijslast tegengeworpen, en wordt ook voor dit deel de renteaftrek niet toegestaan. 

Commentaar KPMG Meijburg & Co

Deze uitspraak vormt het volgende hoofdstuk over de renteaftrek in fiscale overnamestructuren. Een verschil met recente zaken is echter dat daarin veelal werd geconcludeerd dat sprake was van fraus legis (wetsmisbruik), terwijl onderhavige zaak geheel langs de lijnen van de renteaftrekbeperking van art. 10a Wet Vpb 1969 wordt behandeld. Het hof benadert de zaak anders dan de rechtbank, en oordeelt dat ten aanzien van zowel de onderhavige rechtshandeling als de wijze van financiering niet aannemelijk is gemaakt dat deze op zakelijke gronden zijn uitgevoerd. Daaruit blijkt onder andere dat het hof een strikte toets aanlegt om te beoordelen of een interne schuld een link heeft met de externe financiering. Het zal interessant hoe de Hoge Raad hier tegenaan kijkt indien cassatie wordt ingesteld, ook gezien de verschillende oordelen van rechtbank en hof.

Wil je meer weten, neem dan gerust contact op met ons of met je gebruikelijke Meijburgadviseur.

© 2026 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.