Hoge Raad beslist dat ook latente verliezen na aandeelhouderswijziging verloren kunnen gaan

11 september 2026
Hoge Raad beslist dat ook latente verliezen na aandeelhouderswijziging verloren kunnen gaan

Op vrijdag 11 september 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een belangrijke zaak over de verliesverrekening. Kort gezegd heeft de Hoge Raad beslist dat zogenoemde latent aanwezige verliezen die worden gerealiseerd na de aandeelhouderswijziging ook onder het bereik van art. 20a Wet Vpb 1969 kunnen vallen en daardoor niet meer verrekenbaar zijn. In de praktijk speelt deze regeling een belangrijke rol bij acquisities en bedrijfsovernames. 

Werking en achtergrond van art. 20a Wet Vpb 1969

Met art. 20a Wet Vpb 1969 wil de wetgever handel in verlieslichamen tegengaan. Op grond van deze regeling kunnen verliezen niet meer worden verrekend met winsten als het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate (ten minste 30%) wijzigt, tenzij zich bepaalde uitzonderingen voordoen. 

Art. 20a Wet Vpb 1969 is in 2001 ingevoerd als de opvolger van art. 20 lid 5 (oud) Wet Vpb 1969 dat al bestaat sinds 1970. Bij de invoering van de huidige regeling is met name beoogd om de oude regeling op onderdelen aan te scherpen, zodat in meer situaties de verliezen niet meer zouden kunnen worden verrekend. Onder de toepassing van de oude regeling had de Hoge Raad beslist dat ook een bij aandeelhouderswijziging latent verlies niet verrekend kan worden met winsten in jaren na de belangwijziging. De regeling is vervolgens dus gewijzigd. 

Een andere belangrijke wetwijziging betreft de invoering van de verliesvaststellingsbeschikking. Sinds 1995 worden verliezen door de inspecteur vastgesteld middels een voor bezwaar vatbare beschikking, om zo de rechtszekerheid te dienen. Op deze beschikking staan alleen de gerealiseerde verliezen en niet de latente verliezen. 

De vraag die de praktijk lang heeft beziggehouden was of de jurisprudentie die is gewezen onder de oude regeling zijn belang heeft behouden. Of te wel: of de nieuwe regeling alleen ziet op verliezen die fiscaal reeds gerealiseerd zijn ten tijde van de belangenwijziging, of dat ook verliezen die fiscaal nog niet tot uitdrukking waren gekomen (‘latente verliezen’) ook binnen het bereik van deze regeling vallen.

Opvatting staatssecretaris van Financiën

De staatssecretaris van Financiën had in een beleidsbesluit opgenomen dat – net als onder de oude regeling vóór 2001 – latente verliezen ook onder de verliesverrekeningsbeperking vallen. Toch bestond in de fiscale literatuur discussie over de juistheid van dat standpunt. Zo werd beargumenteerd dat de oude jurisprudentie die onder art. 20 lid 5 (oud) Wet Vpb 1969 is gewezen haar betekenis heeft verloren, nu de wetgever met de invoering van de verliesverrekeningsbeschikking de rechtszekerheid wilde dienen en discussies, jaren later, over de omvang van verliezen juist wilde voorkomen. Als latente verliezen wel in aanmerking moesten worden genomen, terwijl deze niet op de beschikking worden vermeld, zou dat afdoen aan de beoogde rechtszekerheid.  

De betreffende casus: verlies na aandeelhouderswijziging op verkoop van panden

In de voorliggende zaak zijn de aandelen in belanghebbende eind 2015 verkocht aan een derde. Als gevolg van die aandeelhouderswijziging was art. 20a Wet Vpb 1969 van toepassing. Ten tijde van de aandelenoverdracht had belanghebbende een aantal panden in bezit. In het ene geval lag de waarde lager en in het andere geval hoger dan de fiscale boekwaarde van het desbetreffende pand. Er was derhalve op het moment van de aandeelhouderswisseling sprake van zowel latente verliezen als latente winsten. In 2017 verkocht belanghebbende een aantal panden, die ieder individueel tot een boekverlies leidden. In totaal werd op de transacties een verlies gerealiseerd van € 4,3 mln. In geschil was of dit verlies fiscaal aftrekbaar was, of dat dit verlies na de belangwijziging niet meer in aanmerking worden genomen vanwege art. 20a Wet Vpb 1969. De centrale vraag was daarbij of art. 20a Wet Vpb 1969 uitsluitend geldt voor reeds geleden – en bij beschikking vastgestelde – verliezen, of ook voor latent aanwezige verliezen. 

De beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft nu in een kort en bondig arrest beslist dat ook latente verliezen onder het bereik van art. 20a Wet Vpb 1969 kunnen vallen. De oude jurisprudentie blijft van belang, zodat de verliesbeperkingsmaatregel ook van toepassing is voor zover verliezen in fiscale zin weliswaar pas zijn gerealiseerd na de aandeelhouderswijzing, maar voortvloeien uit feiten en omstandigheden die zich voor die aandeelhouderswijziging hebben voorgedaan. 

De in 2015 aanwezige latente verliezen die in 2017 werden gerealiseerd vallen op basis van doel en strekking van de regeling eveneens onder art. 20a Wet Vpb 1969. De verliezen van € 4,3 mln. zijn derhalve niet verrekenbaar. Niet in geschil was overigens of de verliezen onder een van de uitzonderingen alsnog verrekenbaar zouden zijn. 

Tot slot valt op dat de Hoge Raad nog expliciet ingaat op het argument ten aanzien van de beoogde rechtszekerheid bij de verliesvaststellingsbeschikking, en nadrukkelijk aangeeft dat het voor de hand had gelegen dat de wetgever voorschriften had gegeven voor de vaststelling en behandeling van op het moment van de belangenwijziging aanwezige latente verliezen. 

Commentaar KPMG Meijburg & Co

Art. 20a Wet Vpb 1969 was altijd voor de praktijk al een belangrijke bepaling, vooral bij overname van een vennootschap of een concern. Dit belang is toegenomen, nu uit dit arrest volgt dat de bepaling een zeer ruim bereik heeft. De Hoge Raad heeft nu duidelijk aangegeven dat – conform de oude jurisprudentie – latente verliezen ook onder het bereik van de bepaling vallen. Slechts voor zover die latent aanwezige verliezen ook daadwerkelijk worden gerealiseerd, is de maatregel van toepassing. 

Toch betekent dit niet dat nu alle vraagstukken omtrent de werking van art. 20a Wet Vpb 1969 zijn opgelost. Onduidelijk is bijvoorbeeld welke gevolgen latente verliezen hebben voor de beleggingstoets en de werkzaamhedentoets. Voor die toetsen is namelijk relevant in welk jaar de verliezen zijn geleden, terwijl voor latente verliezen mogelijkerwijs niet vaststaat op welk moment deze zijn geleden. Ook geeft de Hoge Raad geen nadere toelichting hoe moet worden vastgesteld welke verliezen voortvloeien uit feiten en omstandigheden die zich voor die aandeelhouderswijziging hebben voorgedaan. In casu leek de commerciële waardering en transactiewaarde relevant, maar de Hoge Raad heeft zich hier niet expliciet over uitgelaten. Mogelijk kan daarbij ook aansluiting worden gezocht bij in de jurisprudentie over goed koopmansgebruik, waarin nadere invulling is gegeven over de vraag wanneer feiten en omstandigheden vóór balansdatum fiscaal relevant zijn.

Wil je meer weten, neem dan gerust contact op met ons of met je gebruikelijke Meijburgadviseur.

© 2026 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.