Hoge Raad: cashbonus aan werknemers voor afkoop van voorwaardelijk toegekende opties aftrekbaar van winst
Op vrijdag 9 oktober 2026 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een procedure over de uitleg van het aftrekverbod van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969. Deze bepaling sluit de aftrek uit van kosten die zien op de uitreiking of toekenning van eigen aandelen of winstbewijzen, opties op eigen aandelen of winstbewijzen en daarmee gelijk te stellen rechten. Veelal wordt gesproken van een aftrekverbod voor ‘werknemersopties’, maar de regeling is zo ruim geformuleerd dat zij ook van toepassing is op toekenning van opties en aandelen aan derden.
De casus en het geschil
De moedervennootschap van X BV kent in de jaren 2013 en 2014 aan vijf werknemers van X BV voorwaardelijke rechten toe op aandelen in het kapitaal van de moedervennootschap. Als de werknemers vier jaar na de voorwaardelijke toekenning nog in dienst zijn én bepaalde prestaties hebben geleverd, verkrijgen zij een recht op levering van een vastgesteld aantal aandelen.
In 2015 wordt een deel van de aandelen in de moedermaatschappij verkocht aan een derde. De nieuwe aandeelhouder wil de resterende aandelen van de markt houden en heeft daarom de vijf werknemers een ‘cashbonus’ geboden in ruil voor het afzien van de voorwaardelijk toegekende rechten op aandelen. Die afkoopsom is niet afhankelijk van voortdurend werknemerschap, prestaties of enige andere voorwaarde dan het afzien van de voorwaardelijk toegekende rechten. De werknemers maken hiervan gebruik en de cashbonus wordt in de jaren 2016 en 2018 uitbetaald. Achteraf blijkt overigens dat de werknemers niet zouden hebben voldaan aan de prestatievoorwaarden die golden voor de toekenning van de opties.
X BV wil voor deze cashbonus in het jaar 2015 een voorziening vormen, zodat de cashbonus in aftrek kan worden gebracht. In geschil is of deze voorziening terecht kan worden gevormd dan wel dat de aftrekbeperking van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969 van toepassing is. Voor niet-aftrekbare bedragen mag fiscaal immers geen voorziening worden gevormd.
Het arrest van de Hoge Raad
De Hoge Raad beslist dat nimmer sprake is geweest van een toekenning van (optierechten op) aandelen in de zin van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969. De aftrekbeperking is daarom niet van toepassing, zodat voor de cashbonus een voorziening kon worden gevormd in 2015.
Om tot dit oordeel te komen, bouwt de Hoge Raad voort op oude jurisprudentie van voor de invoering van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969. Uit die jurisprudentie volgde dat ter zake van de toekenning van aandelen of optierechten aan werknemers fiscaal een last in aanmerking kon worden genomen. Ten aanzien van het moment waarop die last in aanmerking kon worden genomen gold (op basis van art. 6:21 en 6:22 BW) dat als sprake was van opschortende voorwaarden, de last pas aftrekbaar was op het moment van de vervulling van de opschortende voorwaarden.
Het waardeverloop van die rechten na de datum van toekenning heeft volgens diezelfde jurisprudentie geen invloed op het fiscale resultaat. De houder van optierechten op aandelen in een vennootschap staat tot die vennootschap in een rechtsbetrekking die zodanig overeenkomt met die van aandeelhouder dat de waardeveranderingen zich buiten de fiscale winst voordoen. Dit wordt ook wel ‘pseudo-aandeelhouderschap’ genoemd, een leerstuk uit de deelnemingsvrijstelling. Pseudo-aandeelhouderschap ontstaat pas wanneer de rechten van de optiehouder niet afhankelijk zijn van een opschortende voorwaarde, en deze feitelijk en rechtens afdwingbaar zijn.
De Hoge Raad beslist nu dat deze leer blijft gelden en dat art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969 aangrijpt bij het moment van de toekenning waarop – onder de oude jurisprudentie – fiscaal een last kon worden onderkend. In casu is er nooit sprake geweest van pseudo-aandeelhouderschap, omdat de werknemers nog niet aan de prestatievoorwaarden hadden voldaan. De voorwaardelijke optierechten zijn daarmee nog niet aanbeland bij toetsing aan art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969, en de afkoop vindt dus plaats in de winstsfeer.
In de procedure stond kennelijk niet ter discussie of, als sprake was van een aftrekbare last, deze ook in 2015 reeds middels een voorziening in aanmerking kon worden genomen. Nu de Hoge Raad oordeelde dat art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969 niet van toepassing was, is daarmee de voorziening in 2015 terecht gevormd.
Commentaar KPMG Meijburg & Co
De aftrekbeperking van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969 maakt al sinds 1 januari 2007 onderdeel uit van de Wet Vpb 1969, maar toch is dit pas het eerste arrest van de Hoge Raad waarin de uitleg van de bepaling aan de orde is.
Omdat de wettekst van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969 verwijst naar de ‘toekenning of uitreiking’ van de aandelen of optierechten als het niet-aftrekbare feit, bestond er discussie over het moment waarop de aftrekbeperking van toepassing was. Uit dit arrest blijkt dat voor het moment van de aftrek de oude leer (deels) van toepassing blijft. De vraag of art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969 van toepassing is, moet worden aangelegd op het moment dat de toekenning onvoorwaardelijk wordt en feitelijk en rechtens afdwingbaar is. Nu in casu de cashbonus wordt toegekend voordat de optierechten onvoorwaardelijk waren geworden, is de aftrekbeperking niet van toepassing.
Wij vinden het oordeel goed te plaatsen in de systematiek van art. 10 lid 1 onderdeel j Wet Vpb 1969. De regeling is namelijk ingevoerd in navolging van de eerdere jurisprudentie uit 1996, waarin de Hoge Raad had geoordeeld dat er wel een last in aftrek kan worden gebracht voor uitgereikte werknemersopties. Nu de wetgever juist deze aftrekpost heeft willen uitsluiten, is het consistent te noemen dat de aftrekbeperking ook bij hetzelfde moment aangrijpt. Tevens bevestigt de Hoge Raad – in navolging van het hof – dat de criteria voor het ontstaan van pseudo-aandeelhouderschap nog relevantie hebben sinds introductie van deze aftrekbeperking.
Overigens is nog wel van belang dat de wettelijke regeling ook geldt als een recht wordt toegekend waarvan de waarde hoofdzakelijk direct of indirect wordt bepaald door de waardeverandering van aandelen of winstbewijzen en de werknemer een loon heeft van meer dan € 728.000 (bedrag 2026). Hiermee wordt gedoeld op stock appreciation rights, een werknemersbonus waarvan de hoogte gekoppeld is aan de waardeontwikkeling van de aandelen. In het arrest zegt de Hoge Raad niets over de reikwijdte en het moment van toepassing van deze uitbreiding.
Wil je meer weten over dit onderwerp, neem dan gerust contact op met ons of met je gebruikelijke Meijburgadviseur.