KPMG België-Nederland Nieuwsbrief | Juli 2026
Inhoud
- 1. Aankondiging KPMG België-Nederland Desk Seminar 2026
- 2. Internationale gegevensuitwisseling bij buitenlands vastgoed: impact op Belgische belastingplichtigen
- 3. EU Public CbCR: tijd voor de volgende stap in fiscale transparantie
- 4. Belgisch Hof van Cassatie verduidelijkt voorkoming van dubbele belasting onder Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag
- 5. Nederlandse Hoge Raad beslist: geen box 3-rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers over 2017-2020
- 6. Update Nederlandse pseudo-eindheffing fossiele auto’s van de zaak: kabinet komt tegemoet aan praktijkbezwaren
- 7. Nieuwe uitspraak van het HvJ EU verduidelijkt wie btw (niet) kan terugvragen na cessie van vordering op afnemer
1. Aankondiging KPMG België-Nederland Desk Seminar 2026
De KPMG België-Nederland Desk organiseert wederom zijn jaarlijkse KPMG België-Nederland Desk Seminar, dit jaar op woensdag 28 oktober 2026 van 09.30 tot 13.30 uur in Hotel Nassau Breda. De specialisten van KPMG Meijburg & Co (Nederland) en KPMG Tax, Legal and Accountancy (België) behandelen hierbij de meest actuele grensoverschrijdende fiscale onderwerpen, in diverse workshops gericht op multinationale ondernemingen, grensoverschrijdende arbeid en vermogende ondernemers en particulieren.
Er is ruimte voor deelname aan twee workshops: een voor en een na de pauze. Na afloop is er tijdens de lunch gelegenheid om te netwerken en kunt u uiteraard vragen stellen aan onze specialisten.
Meer informatie en aanmelden
Hebt u een internationale (dga-)structuur of grensoverschrijdende inkomsten? Of houdt u zich bezig met de fiscaliteit, finance of HR bij een bedrijf met activiteiten in Nederland en België? Dan mag u ons seminar niet missen en geven we u graag inzicht in actuele grensoverschrijdende tax en legal ontwikkelingen.
Noteer de datum van het seminar alvast in uw agenda. Nadere informatie over het programma en aanmelden volgt later via de eventpagina op onze website. We hopen ook dit jaar op uw komst te mogen rekenen.
2. Internationale gegevensuitwisseling bij buitenlands vastgoed: impact op Belgische belastingplichtigen
Steeds meer Belgische inwoners bezitten vastgoed in het buitenland, zoals een vakantiewoning, tweede verblijf of bouwgrond. Dergelijk vastgoed brengt niet alleen lokale fiscale verplichtingen met zich mee, maar heeft ook gevolgen voor de Belgische personenbelasting. Tegelijk zetten belastingadministraties steeds sterker in op internationale gegevensuitwisseling, waardoor buitenlands vastgoedbezit steeds transparanter wordt.
Vastgoed in België versus vastgoed in het buitenland
De Belgische fiscale behandeling van onroerend goed verschilt naargelang het vastgoed in België dan wel in het buitenland is gelegen.
Belgisch vastgoed
Voor in België gelegen vastgoed wordt de belastbare grondslag in principe bepaald op basis van het geïndexeerde kadastraal inkomen, verhoogd met 40% wanneer het vastgoed niet wordt verhuurd of wordt verhuurd aan een natuurlijke persoon die het niet voor beroepsdoeleinden aanwendt. Wanneer het vastgoed wordt verhuurd aan een vennootschap, vereniging of aan een natuurlijke persoon die het goed geheel of gedeeltelijk beroepsmatig aanwendt, worden daarentegen de werkelijke huurinkomsten belast, na aftrek van een forfaitaire kostenaftrek.
Buitenlands vastgoed
Ook buitenlands vastgoed moet worden aangegeven in de Belgische personenbelasting. Sinds de wet van 17 februari 2021 wordt ook aan buitenlands vastgoed een (fictief) kadastraal inkomen toegekend, met toepassing vanaf aanslagjaar 2022 (inkomstenjaar 2021), teneinde de fiscale behandeling af te stemmen op die van Belgisch vastgoed.
Na de verwerving van buitenlands vastgoed moet de belastingplichtige dit binnen vier maanden melden aan de Belgische administratie. Op basis daarvan wordt een kadastraal inkomen vastgesteld. Dat kadastraal inkomen moet vervolgens worden opgenomen in de Belgische aangifte personenbelasting.
Vrijstelling met progressievoorbehoud
In de meeste gevallen is het buitenlandse vastgoed gelegen in een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten, zoals Nederland.
In dat geval zijn de inkomsten uit dat vastgoed in België vrijgesteld van belasting, met toepassing van het progressievoorbehoud. Dit houdt in dat België deze inkomsten niet zelf belast, maar er wel rekening mee houdt bij het bepalen van het toepasselijke belastingtarief op de overige inkomsten.
Voorbeeld: Belgisch rijksinwoner met Nederlands vastgoed
Een Belgische rijksinwoner die eigenaar is van een tweede verblijf in Nederland moet dit vastgoed aangeven in zijn Belgische aangifte personenbelasting. Op grond van het Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag zijn de inkomsten uit dit vastgoed in België vrijgesteld, maar zij worden wel in aanmerking genomen voor de bepaling van het belastingtarief dat van toepassing is op de overige inkomsten van de belastingplichtige (vrijstelling met progressievoorbehoud). In Nederland zal de woning doorgaans belast worden met inkomstenbelasting in box 3, op basis van een fictief rendement of op basis van het werkelijke rendement (inclusief ongerealiseerde waardestijging op basis van de WOZ-waarde) als dat lager is voor het gehele box 3-vermogen. Hiervoor dient in Nederland jaarlijks een aangifte inkomstenbelasting te worden ingediend als buitenlands belastingplichtige en is een burgerservicenummer (‘BSN’) vereist.
Geen dubbelbelastingverdrag?
Wanneer het vastgoed gelegen is in een land waarmee België geen dubbelbelastingverdrag heeft gesloten, wordt het buitenlandse onroerend inkomen in principe overeenkomstig de Belgische fiscale regels in de Belgische belastbare grondslag opgenomen. Om de gevolgen van dubbele belasting te milderen, voorziet de Belgische wetgeving in een belastingvermindering waarbij het gedeelte van de Belgische personenbelasting dat evenredig toerekenbaar is aan het buitenlandse onroerend inkomen in beginsel wordt gehalveerd. Deze regeling vormt een eenzijdige Belgische maatregel ter beperking van dubbele belasting en verschilt van de vrijstelling met progressievoorbehoud die doorgaans van toepassing is wanneer België een dubbelbelastingverdrag heeft gesloten met de betrokken staat.
Automatische uitwisseling van vastgoedgegevens: IPI-MCAA
De OESO stelde vast dat belastingadministraties vaak onvoldoende zicht hebben op vastgoed dat hun inwoners in het buitenland bezitten. Dit kan ertoe leiden dat inkomsten of transacties niet correct worden aangegeven. Om de transparantie te verhogen werd de Multilateral Competent Authority Agreement on Automatic Exchange of Readily Available Information on Immovable Property (‘IPI-MCAA’) ontwikkeld. Dit kader voorziet in een automatische uitwisseling van beschikbare vastgoedgegevens tussen belastingadministraties.
De uitgewisselde informatie kan onder meer betrekking hebben op de identiteit van de eigenaar, de ligging van het vastgoed, eigendomsrechten, waarderingsgegevens en beschikbare informatie over de uit het vastgoed gerealiseerde inkomsten.
In een gezamenlijke verklaring van 4 december 2025 bevestigden 26 landen en jurisdicties, waaronder België, Frankrijk, Duitsland, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, hun intentie om deze gegevensuitwisseling tegen 2029 of 2030 te implementeren. Nederland behoort momenteel niet tot de jurisdicties die de gezamenlijke verklaring van 4 december 2025 hebben onderschreven.
Wat betekent dit voor Belgische belastingplichtigen?
De invoering van de IPI-MCAA zal ertoe leiden dat de Belgische fiscus automatisch informatie ontvangt over buitenlands vastgoed dat wordt aangehouden door Belgische inwoners in deelnemende landen. Hierdoor wordt het voor de administratie aanzienlijk eenvoudiger om na te gaan of buitenlands vastgoed correct werd aangegeven en of de fiscale verplichtingen werden nageleefd.
Voor belastingplichtigen met buitenlands vastgoed wordt een correcte en volledige aangifte dan ook essentieel. De evolutie is duidelijk: na financiële rekeningen komt ook buitenlands vastgoed steeds nadrukkelijker in het vizier van de fiscus.
Laura Decroos en Dorien Christiaen
3. EU Public CbCR: tijd voor de volgende stap in fiscale transparantie
De aandacht voor fiscale transparantie blijft toenemen. Waar Country-by-Country Reporting (‘CbCR’) sinds de invoering van het BEPS Action 13-project voornamelijk een instrument was ter vergroting van de informatiepositie van belastingautoriteiten, brengen de Europese Public Country-by-Country Reporting- (‘EU Public CbCR’-)verplichtingen daar verandering in. Voor het eerst wordt een groot deel van deze CbCR-informatie publiek toegankelijk en krijgen investeerders, klanten, werknemers, journalisten, ngo’s en andere stakeholders meer inzicht in de fiscale positie en belastingbijdrage van grote multinationale ondernemingen. Deze Europese regels zijn ook van toepassing in Nederland en België.
Voor veel ondernemingen geldt dat zij in 2026 voor het eerst een EU Public Country-by-Country Report (‘EU Public CbC-rapport’) moeten publiceren.
Reikwijdte en inwerkingtreding
De EU Public CbCR-regels verplichten multinationale ondernemingen die gedurende twee opeenvolgende boekjaren een geconsolideerde wereldwijde groepsomzet van ten minste € 750 miljoen realiseren tot het indienen en openbaar maken van een EU Public CbC-rapport. De deadline voor openbaarmaking is binnen twaalf maanden na afloop van het betreffende boekjaar. Deze verplichting geldt niet alleen voor groepen waarvan de uiteindelijke moederentiteit (‘UPE’) in de Europese Unie (‘EU’) is gevestigd, maar ook voor groepen waarvan de UPE buiten de EU is gevestigd (indien sprake is van ‘kwalificerende aanwezigheid’ in de EU).
De EU Public CbCR-regels zijn in Nederland en België van toepassing voor kwalificerende multinationale ondernemingen voor boekjaren die beginnen op of na 22 juni 2024. Voor ondernemingen met een boekjaar dat gelijk is aan het kalenderjaar betekent dit dat boekjaar 2025 het eerste boekjaar is waarop de regels van toepassing zijn. Deze ondernemingen zullen uiterlijk 31 december 2026 hun EU Public CbC-rapport moeten deponeren bij de daartoe aangewezen registers (zie hieronder), en het moeten publiceren op hun website.
EU Public CbC-rapport
In het openbaar te maken EU Public CbC-rapport moeten specifieke datapunten worden opgenomen. Hierbij moeten de data afzonderlijk worden opgenomen voor elke EU-lidstaat, elke lidstaat van de Europese Economische Ruimte en voor alle jurisdicties die op de EU-lijst van niet-coöperatieve jurisdicties staan. Deze datapunten bevatten informatie over onder meer het aantal werknemers, de nettogroepsomzet, de winst voor belastingen, de betaalde winstbelasting en een omschrijving van de activiteiten die de groep heeft in de diverse landen. Zowel in Nederland als in België zijn specifieke templates beschikbaar op basis waarvan het EU Public CbC-rapport moet worden opgesteld.
Voor ondernemingen die in België actief zijn is bovendien van belang dat België een eigen lijst met niet-coöperatieve jurisdicties hanteert. De Belgische lijst is uitgebreider dan de EU-lijst en dit betekent dus dat voor meer landen afzonderlijk gegevens moeten worden opgenomen om te voldoen aan de Belgische eisen.
Complianceverplichtingen
Voor ondernemingen waarbij de UPE in de EU is gevestigd moet het rapport door de UPE in dat desbetreffende land worden ingediend bij de aangewezen registers (zoals de Kamer van Koophandel in Nederland en de Nationale Bank van België) en op de website van de groep.
Voor kwalificerende ondernemingen waarbij de UPE buiten de EU is gevestigd brengt de verplichting verdere aandachtspunten met zich mee. Enerzijds moeten zij beoordelen hoe de rapportageverplichtingen binnen de groep zijn georganiseerd en hoe ze hieraan willen voldoen. In principe bestaat namelijk in iedere afzonderlijke EU-lidstaat waar de groep aanwezig is een separate verplichting tot het openbaar maken van het EU Public CbC-rapport. Hierop bestaat echter een uitzondering, de zogenoemde multiple reporting exemption; deze is echter niet door iedere lidstaat geïmplementeerd. Anderzijds moeten zij ook rekening houden met de verschillen die nog steeds bestaan tussen de nationale implementaties van de Europese regels in de diverse EU-lidstaten. Hoewel de Europese richtlijn een gemeenschappelijk kader creëert, blijft de praktische toepassing afhankelijk van lokale wetgeving en administratieve vereisten. Dit geldt ook voor ondernemingen met activiteiten in België en Nederland, die rekening moeten houden met de specifieke nationale implementatie en administratieve vereisten in beide landen en mogelijk ook in andere EU-landen waar zij actief zijn.
Passende filingstrategie
Wij ondersteunen onze cliënten regelmatig bij het bepalen van een passende filingstrategie. Daarbij wordt een afweging gemaakt tussen enerzijds het minimaliseren van de compliancedruk door meer informatie centraal openbaar te maken aan de hand van een (beperkt aantal) rapport(en), en anderzijds het opstellen van specifieke rapporten per jurisdictie. In het laatste geval wordt in de diverse landen uitsluitend de noodzakelijke informatie gepubliceerd, maar neemt tegelijkertijd de compliance-inspanning toe. Ook is van belang dat bij centrale filing het EU Public CbC-rapport op de website van de UPE moet worden geplaatst, ook als deze buiten de EU is gevestigd. Bij lokale filing kan in principe worden volstaan met publicatie op de lokale website en deponering bij het handelsregister. Sommige EU-landen kennen zelfs een uitzondering waarbij publicatie op de lokale website niet nodig is als het rapport gratis toegankelijk is via het handelsregister. Wij zien dat ondernemingen bij de keuze voor hun filingstrategie verschillende afwegingen maken.
In de praktijk signaleren wij dat EU Public CbCR inmiddels verder gaat dan een traditionele rapportageverplichting. Ondernemingen staan niet alleen stil bij de vraag welke informatie moet worden gerapporteerd, maar ook bij de wijze waarop deze informatie door externe stakeholders zal worden geïnterpreteerd. Fiscale gegevens worden immers toegankelijk voor een veel breder publiek dan uitsluitend belastingautoriteiten. Hierdoor neemt ook het belang toe van een consistente aansluiting tussen fiscale rapportages, tax governance en de bredere communicatie van ondernemingen over hun fiscale positie.
Stefan Ubachs en Ilayda Alkan
4. Belgisch Hof van Cassatie verduidelijkt voorkoming van dubbele belasting onder Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag
Het Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag bepaalt welke staat belasting mag heffen over grensoverschrijdende inkomsten en hoe dubbele belasting moet worden voorkomen. Voor bepaalde inkomsten moet België als woonstaat een vrijstelling verlenen wanneer deze inkomsten in Nederland ‘zijn belast’. De vraag wanneer aan deze voorwaarde is voldaan, leidt in de praktijk geregeld tot discussie, met name wanneer Nederland inkomsten wel onder zijn fiscale wetgeving brengt maar uiteindelijk geen belasting heft, of wanneer bepaalde inkomsten volledig van belastingheffing zijn uitgesloten. In een arrest van 12 maart 2026 heeft het Belgische Hof van Cassatie verduidelijkt hoe dit verdragscriterium moet worden geïnterpreteerd. De uitspraak is relevant voor Belgische inwoners met Nederlandse inkomsten en kan mogelijk ook gevolgen hebben voor de toepassing van andere belastingverdragen die vergelijkbare vrijstellingsbepalingen bevatten.
Feiten: Belgische golfer met buitenlands prijzengeld
De zaak betrof een professionele golfspeler, fiscaal inwoner van België, met prijzengelden van verscheidene toernooien in Nederland.
Voor sporters bepaalt het gros van de Belgische dubbelbelastingverdragen (overeenkomstig artikel 17 van het OESO-modelverdrag) dat het land waar het toernooi plaatsvindt (de bronstaat) belasting mag heffen over het prijzengeld, zo ook het Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag. Het vrijstellingsartikel van dit verdrag vereist evenwel dat de inkomsten in de bronstaat (Nederland) moeten zijn belast, opdat België deze als woonstaat zou moeten vrijstellen.
De belastingplichtige verzocht in zijn Belgische aangifte personenbelasting om de vrijstelling voor de inkomsten uit de golfwedstrijden in Nederland. Die vrijstelling werd echter geweigerd, wat uiteindelijk ook door het hof van beroep van Antwerpen werd bevestigd. De belastingplichtige legde zich hier echter niet bij neer en trok naar het Hof van Cassatie.
Wanneer zijn inkomsten ‘belast’ in de bronstaat?
Het Belgische Hof van Cassatie is al van oudsher van mening dat het criterium ‘belast‘ moet worden geïnterpreteerd op basis van Belgisch nationaal recht, bij gebrek aan definiëring in de dubbelbelastingverdragen. Sinds zijn eerste arrest van 1970 stelt het Hof dat een inkomen in deze zin belast is zodra het in de bronstaat aan een fiscaal regime is onderworpen, ook als dat regime het inkomen vrijstelt of als niet-belastbaar aanmerkt (de zogenoemde Sidro-doctrine). Het recente arrest van 12 maart 2026 lijkt deze rechtspraak echter verder af te bakenen. Het hof oordeelt immers dat inkomsten die volledig buiten het toepassingsgebied van de Nederlandse belastingheffing vallen, niet kunnen worden beschouwd als inkomsten die in Nederland zijn belast.
Nederlandse behandeling van het inkomen
Niet-inwoners worden in box 1 van de Nederlandse inkomstenbelasting in Nederland belast voor hun Nederlandse inkomen uit werk en woning, daarin begrepen (i) het belastbaar loon ter zake van het in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid en (ii) het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in Nederland. Sportbeoefenaars en artiesten die inwoner zijn van een verdragsland (zo ook inwoners van België) worden evenwel sinds 2007 onder voorwaarden uitgesloten van de heffing van Nederlandse loon- en inkomstenbelasting. Die uitsluiting is er gekomen in 2007, met als doel administratieve lasten voor organisatoren van sportevenementen en optredens, en buitenlandse sporters en artiesten te verlichten, alsmede uitvoeringsproblemen bij de Nederlandse Belastingdienst te verminderen. Hierdoor worden dergelijke inkomsten voortaan volledig belast in het woonland van de sporters en artiesten.
Het cassatiearrest
In het arrest wordt geoordeeld dat de inkomsten van de Belgische golfer niet (langer) onderworpen zijn aan de Nederlandse belastingheffing en aldus geen buitenlandse belastingregeling hebben ondergaan. België kan bijgevolg de inkomsten belasten als woonstaat en wordt daarin niet beperkt door het dubbelbelastingverdrag. In een strikte lezing van de traditionele interpretatie had het Hof kunnen oordelen dat het enkel als niet-belastbaar wordt aangemerkt, maar wel het buitenlands belastingregime heeft ondergaan, zodat België op grond van het belastingverdrag de inkomsten evenmin in de belastingheffing zou hebben kunnen betrekken.
De bedoeling van de dubbelbelastingverdragen is niet om dubbele niet-belasting te veroorzaken, noch heeft de Nederlandse wetgever een vrijstelling in beide staten willen bewerkstelligen. Echter, vanuit een zuiver Belgisch perspectief stelt zich de vraag of het verschil tussen de bewoordingen ‘zijn belast’ en ‘zijn effectief belast’ nu niet een stuk vager wordt. In de Belgische fiscale literatuur is daarnaast kritiek geuit op deze benadering. Daarbij wordt opgemerkt dat het Belgische Hof van Cassatie bij de uitleg van belastingverdragen relatief veel gewicht toekent aan het nationale recht, terwijl de Nederlandse Hoge Raad doorgaans meer aansluiting zoekt bij het OESO-commentaar op het OESO-modelverdrag.
Fiscale implicaties voor het Belgisch-Nederlandse verdrag
Hoewel het arrest is gewezen in de specifieke context van de inkomsten van sportbeoefenaars, zit de waarde van de uitspraak hem vooral in de interpretatie van het vrijstellingsartikel, dat evenzeer van toepassing is op andere inkomsten.
Het Hof van Cassatie lijkt met zijn arrest niet zo ver te willen gaan dat er per inkomensbestanddeel moet worden nagegaan of het aan belasting is onderworpen. Het gaat hier immers om een categorie van niet-inwoners die van belasting wordt vrijgesteld op het volledige sportinkomen. Maar het heeft hiermee mogelijk wel de deur opengezet voor de Belgische Belastingdienst, die steevast streng optreedt ten aanzien van een vrijstelling van buitenlands inkomen.
Onder het nieuwe Belgisch-Nederlandse dubbelbelastingverdrag (dat nog niet in werking is) zal het probleem zich niet langer stellen, aangezien daar de bewoording wordt versterkt. De inkomsten moeten dan effectief zijn belast in de bronstaat, wil men de vrijstelling toepassen. Bovendien geldt dat de specifieke regeling waaronder inkomsten van sporters en artiesten op grond van het verdrag belast zijn in de bronstaat eveneens is komen te vervallen. Het heffingsrecht over inkomsten van dergelijke belastingplichtigen zullen onder het nieuwe verdrag derhalve worden bepaald door de overige verdragsbepalingen, naargelang van de specifieke verdragsbepaling (ondernemingswinst, inkomsten uit dienstbetrekking of eventueel op basis van het restartikel). Het gevolg is dat kortstondige optredens in het buitenland minder snel belastbaar zullen zijn in de bronstaat, zodat doorgaans de beloning in de woonstaat zal zijn belast, zonder dat voorkoming van dubbele belastingheffing nodig is.
Het blijft evenwel afwachten of dit arrest beperkt blijft tot de specifieke situatie van sportinkomsten of het begin vormt van een ruimere evolutie in de Belgische rechtspraak. Indien dat laatste het geval blijkt te zijn, kan de uitspraak ook relevant worden voor de toepassing van andere dubbelbelastingverdragen waarin vergelijkbare vrijstellingsbepalingen voorkomen.
Kyrill Maes en Sarah De Wilde
5. Nederlandse Hoge Raad beslist: geen box 3-rechtsherstel voor niet-bezwaarmakers over 2017-2020
Op 25 juni 2026 heeft de Nederlandse Hoge Raad definitief beslist dat belastingplichtigen die geen tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen hun box 3-aanslagen over de jaren 2017 tot en met 2020 geen recht hebben op box 3-rechtsherstel. Deze zaken maken deel uit van de zogenoemde massaalbezwaarplusprocedure.
Wat ging vooraf?
In december 2021 heeft de Hoge Raad in het Kerstarrest de toenmalige variant van het box 3-stelsel, dat belasting heft op inkomsten uit vermogen op basis van een forfaitair (verondersteld) rendement, in strijd bevonden met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (‘EVRM’). Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat belastingplichtigen die tijdig bezwaar hadden gemaakt recht hebben op rechtsherstel indien de heffing op basis van het forfaitaire rendement hoger is dan de heffing op basis van het werkelijke rendement. Over het Kerstarrest en de wijze van rechtsherstel in box 3 hebben we u al vaker geïnformeerd (zie bijvoorbeeld de januari 2022-editie, de april 2022-editie, de juli 2024-editie en de januari 2025-editie van deze nieuwsbrief).
Vervolgens was de vraag of de groep die geen of te laat bezwaar had ingediend – de niet-bezwaarmakers – ook rechtsherstel over de jaren 2017 tot en met 2020 moest worden geboden voor de forfaitaire heffing in box 3. Deze groep niet-bezwaarmakers deed een beroep op de regeling voor ambtshalve vermindering, waardoor een aanslag op verzoek binnen vijf jaar na het einde van het belastingjaar kan worden verminderd indien die is vastgesteld naar een te hoog bedrag. Deze regeling kent echter een uitzondering in het geval de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit jurisprudentie die is gewezen nadat de belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan (‘nieuwe-jurisprudentie-uitzondering’). Daarvan is sprake als geen bezwaar of beroep is ingesteld tegen een aanslag en de termijn daarvoor is verstreken.
In mei 2022 oordeelde de Hoge Raad al dat niet-bezwaarmakers geen recht hebben op box 3-rechtsherstel, omdat het Kerstarrest voor deze groep kwalificeert als nieuwe jurisprudentie. Vervolgens maakte de staatssecretaris van Financiën in september 2022 bekend ook geen ambtshalve vermindering van box 3 toe te passen. De groep niet-bezwaarmakers kreeg dus geen box 3-rechtsherstel.
Massaalbezwaarplusprocedure
Naar aanleiding van de vele verzoeken tot ambtshalve vermindering door niet-bezwaarmakers en op aandringen van een aantal belangenorganisaties maakte de staatssecretaris van Financiën in november 2022 bekend dat er toch een ‘massaalbezwaarplusprocedure’ kwam voor de groep niet-bezwaarmakers. Hierin werd aan de Hoge Raad de vraag voorgelegd of het onderscheid tussen bezwaarmakers en niet-bezwaarmakers (onder meer) discriminatoir was of in strijd met het evenredigheidsbeginsel. In deze procedure is dus nogmaals de vraag aan de Hoge Raad voorgelegd of niet-bezwaarmakers een beroep kunnen doen op het Kerstarrest voor aanslagen die op de datum van het Kerstarrest al onherroepelijk vaststonden.
De uitspraak: geen compensatie over de jaren 2017-2020 voor niet-bezwaarmakers
Net als in mei 2022 heeft de Hoge Raad op 25 juni 2026 beslist dat er geen aanleiding bestaat om een uitzondering te maken voor niet-bezwaarmakers op de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering en dat niet-bezwaarmakers dus geen recht hebben op box 3-rechtsherstel. De Hoge Raad oordeelt dat er geen sprake is van discriminatie ten opzichte van de groep die wel tijdig bezwaar heeft gemaakt en dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De regeling voor ambtshalve vermindering biedt de minister van Financiën formeel nog wel de mogelijkheid om af te wijken van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering. Naar verwachting zal hier echter geen gebruik van worden gemaakt, gelet op het budgettaire belang dat hiermee is gemoeid.
Gevolgen voor de praktijk
Dit arrest bevestigt dat belastingplichtigen over de jaren 2017 tot en met 2020 alleen rechtsherstel kunnen krijgen als zij tijdig bezwaar hebben gemaakt, of als hun aanslag op het moment van het Kerstarrest nog niet onherroepelijk vaststond en zij tijdig om ambtshalve vermindering hebben verzocht. Daarmee bevestigt het arrest dat voor niet-bezwaarmakers de mogelijkheden om alsnog box 3-rechtsherstel voor deze jaren te verkrijgen in de praktijk zijn uitgeput.
Voor zover aanslagen pas na de datum van het Kerstarrest onherroepelijk zijn komen vast te staan en tijdig een verzoek om ambtshalve vermindering is gedaan, kan de inspecteur nog ambtshalve vermindering verlenen. Voor de belastingjaren 2017 tot en met 2020 is de termijn voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering inmiddels verstreken. Voor aanslagen 2021 is het nog mogelijk om tot eind 2026 een verzoek om ambtshalve vermindering in te dienen. Daarbij blijft gelden dat rechtsherstel alleen aan de orde is voor zover de heffing op basis van het wettelijke forfait hoger is dan de heffing op basis van het werkelijke rendement over het hele box 3-vermogen van een belastingplichtige.
Ilse Janssens en Miguel Ikpia
6. Update Nederlandse pseudo-eindheffing fossiele auto’s van de zaak: kabinet komt tegemoet aan praktijkbezwaren
In de juni 2026-editie van onze nieuwsbrief besteedden wij aandacht aan de invoering van de Nederlandse pseudo-eindheffing voor fossiele auto’s van de zaak per 1 januari 2027. Inmiddels heeft het Nederlandse kabinet aangekondigd de regeling op een aantal punten aan te passen naar aanleiding van signalen uit de praktijk.
Het doel van de maatregel blijft ongewijzigd: werkgevers stimuleren om versneld over te stappen op volledig emissievrije auto’s. De aangekondigde wijzigingen moeten er echter voor zorgen dat de regeling beter aansluit bij de praktijk en in bepaalde situaties niet tot onbedoelde of onwerkbare gevolgen leidt.
Belangrijkste aanpassingen
De voorgestelde wijzigingen zien met name op enkele praktische uitzonderingen en op het overgangsrecht. De belangrijkste aanpassingen zijn als volgt:
- Vervangende auto’s uitgezonderd: wanneer een werknemer tijdelijk gebruikmaakt van een vervangende niet-emissievrije auto vanwege schade, onderhoud, reparatie of een bandenwissel, geldt gedurende maximaal veertien aaneengesloten dagen geen pseudo-eindheffing voor deze vervangende auto.
- Verlenging overgangsrecht: voor niet-emissievrije auto’s die reeds voor 1 januari 2027 door dezelfde werkgever ter beschikking zijn gesteld, wordt het overgangsrecht verlengd van 17 september 2030 naar 1 januari 2031. Dit voorkomt dat werkgevers hun administratie midden in een kalenderjaar moeten aanpassen.
- Tijdelijke vrijstelling voor kortdurend gebruik: tot 1 januari 2031 geldt een beperkte vrijstelling voor het ter beschikking stellen van een niet-emissievrije personenauto gedurende één aaneengesloten periode van maximaal zeven dagen per kalenderjaar. Dit kan bijvoorbeeld relevant zijn bij tijdelijke huurauto’s.
- Vrijstelling voor lesauto’s: rijscholen worden uitgezonderd van de pseudo-eindheffing. Het kabinet erkent dat deze sector voorlopig nog niet volledig kan overstappen op emissievrije voertuigen.
Wisseling van werkgever vraagt aandacht
Bij wisseling van werkgever na 1 januari 2027 waarbij de leaseauto wordt meegenomen, komt de vraag op of ook de nieuwe werkgever gebruik kan maken van het overgangsrecht. In beginsel is dat niet zo, maar bij fusies en overnames kan het zijn dat het overgangsrecht wel van toepassing blijft. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken of het overgangsrecht nog geldt alvorens afspraken worden gemaakt over het overnemen van leasecontracten.
Aandachtspunten voor internationale werkgevers
Ook voor internationale werkgevers bevat de update een relevante verduidelijking. Het kabinet heeft bevestigd dat de verdeling van het heffingsrecht over de arbeidsbeloning van een werknemer onder een belastingverdrag doorwerkt naar de pseudo-eindheffing. Dit kan bijvoorbeeld spelen bij een Nederlandse werkgever die een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een grensarbeider die deels in Nederland en deels in België werkzaam is. Concreet betekent dit dat in een dergelijk geval de pseudo-eindheffing slechts naar rato van de in Nederland belastbare beloning verschuldigd is.
Daarnaast blijft de regeling relevant voor Belgische werkgevers die een Nederlandse inhoudingsplicht hebben, ook zij kunnen de pseudo-eindheffing verschuldigd zijn. In dergelijke situaties is het tevens van belang om te beoordelen welke gevolgen de verdragsrechtelijke verdeling van het heffingsrecht heeft voor de verschuldigde pseudo-eindheffing.
Vooruit blijven kijken
Hoewel de aangekondigde versoepelingen welkom zijn, verandert de kern van de regeling niet. Werkgevers die niet-emissievrije auto’s ter beschikking stellen, kunnen vanaf 2027 nog steeds worden geconfronteerd met een extra werkgeversheffing van 12% van de cataloguswaarde van de auto. Het blijft daarom raadzaam om tijdig inzicht te krijgen in de impact op het wagenpark, de lopende leasecontracten en het mobiliteitsbeleid. Werkgevers die nu voorsorteren, voorkomen verrassingen en substantiële financiële lasten in de toekomst.
Hebt u vragen over de auto van de zaak of wilt u weten wat deze wijzigingen voor uw organisatie betekenen? Neem dan gerust contact op met onze specialisten van KPMG Meijburg & Co.
Esther Schutte, Sandy Govers en Tessa Kross
7. Nieuwe uitspraak HvJ EU verduidelijkt wie btw (niet) kan terugvragen na cessie van vordering op afnemer
Het Europese Hof van Justitie (’HvJ EU’) heeft op 22 april 2026 in de zaak Mokoryte (C‑233/25) geoordeeld dat het recht op vermindering van de maatstaf van heffing (en het bijbehorende verzoek tot teruggaaf van btw die initieel werd aangerekend) bij niet‑betaling niet kan worden overgedragen bij een gecedeerde vordering. Dit arrest is van bijzonder belang voor structuren waarin vorderingen worden overgedragen, zoals factoring, omdat het duidelijk afbakent wie de btw mag terugvragen wanneer een vordering uiteindelijk oninbaar blijkt.
De casus
Een projectontwikkelaar sloot een aannemingscontract met een hoofdaannemer. Deze hoofdaannemer besteedde de werken uit aan Mokoryte, een onderaannemer. Mokoryte voerde de werken uit en factureerde haar prestaties, met btw, aan de hoofdaannemer. De hoofdaannemer kwam echter in financiële moeilijkheden en kon Mokoryte niet volledig betalen. Om zijn schuld (gedeeltelijk) te vereffenen, droeg hij zijn vordering op de projectontwikkelaar over aan Mokoryte. De onderaannemer werd dus schuldeiser van de ontwikkelaar via cessie van de vordering.
Na deze overdracht werd de projectontwikkelaar failliet verklaard. De vordering die Mokoryte via cessie had verkregen bleek oninbaar. Mokoryte had de btw op haar oorspronkelijke facturen aan de hoofdaannemer wel aangegeven en betaald. Mokoryte stelde correctiefacturen op met als afnemer de projectontwikkelaar, beschouwde de verkregen vordering als definitief verloren en verzocht de teruggaaf van de reeds afgedragen btw.
De fiscale administratie in Roemenië weigerde dit verzoek en voerde aan dat enkel de hoofdaannemer – de leverancier in de contractuele relatie met de ontwikkelaar – gerechtigd was om bij insolventie van de ontwikkelaar de maatstaf van heffing voor de btw te verminderen. Mokoryte nam niet deel aan die contractuele relatie en was niet gerechtigd om de btw terug te vorderen volgens de administratie.
Oordeel HvJ EU
De zaak belandde uiteindelijk bij het HvJ na prejudiciële vragen door de Roemeense rechter, waarbij de centrale rechtsvraag zag op de reikwijdte van de bepaling over vermindering van de maatstaf van heffing uit de Europese btw-richtlijn. De prejudiciële vraag luidde als volgt: kan het recht op vermindering van de maatstaf van heffing bij niet‑betaling worden uitgeoefend door een derde die een vordering heeft overgenomen, zoals een onderaannemer of een factoringmaatschappij? Met andere woorden: kan de cessionaris van een vordering ook de bijhorende btw‑rechten overnemen, zodat hij in de plaats van de oorspronkelijke leverancier optreedt wanneer de debiteur insolvent wordt?
Het HvJ EU beantwoordt deze vraag ontkennend, met als uitgangspunt dat het recht op vermindering van de maatstaf van heffing strikt verbonden is met degene die de belastbare handeling heeft verricht en de btw verschuldigd was, namelijk de oorspronkelijke leverancier in de contractuele relatie met de klant. Dit recht is een recht van de belastingplichtige en volgt niet automatisch de eigendom van de vordering. Het kan derhalve niet worden overgedragen via een eenvoudige cessie van vorderingen.
Gevolgen in België
Deze Europese rechtspraak staat niet los van de Belgische praktijk. De Belgische btw‑administratie hanteert vandaag een administratieve praktijk waarbij factoringmaatschappijen, als cessionaris van vorderingen, onder bepaalde voorwaarden een teruggaaf van btw kunnen vragen bij oninbare vorderingen. In de huidige richtlijnen wordt de overnemer beschouwd als effectieve eigenaar van de vordering. In geval van totale of gedeeltelijke oninbaarheid kan de factoringmaatschappij zo toch een teruggaaf verkrijgen van de btw die oorspronkelijk werd aangerekend als de administratieve formaliteiten worden nageleefd.
Gevolgen in Nederland
In Nederland is eveneens voorzien in een regeling om de ongewenste gevolgen in een situatie zoals in het arrest aan de orde was te voorkomen. De Nederlandse btw-wetgeving bevat hiervoor een bepaling waarin is geregeld dat een btw-ondernemer die een vordering overneemt in de plaats treedt van de btw-ondernemer die de vordering overdraagt. Op die manier kan de overnemer toch een vermindering van de maatstaf van heffing en – op verzoek – teruggave van voldane btw over de niet-betaalde facturen bewerkstelligen.
Het arrest Mokoryte zet de bovenstaande regelingen in België en Nederland onder druk. Tegen deze achtergrond lijkt het aangewezen om bestaande overeenkomsten en structuren rond cessie van vorderingen – in het bijzonder factoringstructuren – kritisch te herbekijken in het licht van het spanningsveld tussen de regels en administratieve praktijk in België en Nederland en deze nieuwe Europese rechtspraak.
Wilt u meer weten, neem dan vrijblijvend contact met ons op of met uw gebruikelijke adviseur.
Olivier Boerjan en Noël Lürken