KPMG België-Nederland Nieuwsbrief | Juni 2026
Inhoud
- 1. Step-down Nederlandse verkrijgingsprijs box 2 bij remigratie in strijd met goede verdragstrouw
- 2. Stand van zaken nieuw belastingverdrag tussen Nederland en België
- 3. Europees Hof van Justitie: Belgische gemeentebelasting voor niet-inwoners in strijd met Europees recht
- 4. Europees Hof van Justitie veroordeelt België voor onvolledige implementatie oude CFC-regeling onder ATAD-richtlijn
- 5. Belgische btw-update: e-facturatie, nieuwe btw-tarieven en verdere invoering btw-ketting
- 6. Invoering Nederlandse pseudo-eindheffing fossiele auto van de zaak per 1 januari 2027
- 7. Loontransparantie komt eraan: wat Nederlandse en Belgische werkgevers nu moeten weten
1. Step-down Nederlandse verkrijgingsprijs box 2 bij remigratie in strijd met goede verdragstrouw
In een recente uitspraak heeft Hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat de toepassing van een ‘step-down’ bij vaststelling van de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang (box 2) bij terugkeer naar Nederland (remigratie) in strijd kan zijn met de goede verdragstrouw die in acht moet worden genomen bij door Nederland gesloten belastingverdragen. Deze uitspraak is met name relevant voor situaties waarbij een belastingplichtige voor zijn terugkeer naar Nederland aandelen heeft vervreemd waarbij het heffingsrecht op grond van een belastingverdrag exclusief aan een andere staat was toegewezen. Hoewel de casus Nederland-Polen betreft, heeft deze uitspraak ook potentiële relevantie voor de Nederlands-Belgische context.
Feiten
Een Nederlandse inwoner emigreert in 2003 naar Polen, waar hij samenwoont met zijn Poolse echtgenote. Op het moment van emigratie houdt hij alle aandelen in een Nederlandse houdstervennootschap (Beheer BV) met een verkrijgingsprijs van € 435.148, en alle aandelen in een Poolse vennootschap. Bij zijn vertrek in 2003 legt de inspecteur geen conserverende aanslag op in box 2 voor de waardestijging van de aandelen tot emigratie, omdat de belastingplichtige de inspecteur pas in 2013 informeert over de emigratie. Aangezien op dat moment de tienjaarstermijn voor het kwijtschelden van een conserverende aanslag al is verstreken (onder regels die tot 2015 van toepassing waren), legt de inspecteur later niet alsnog een conserverende aanslag op.
In december 2018 brengt de man beide aandelenbelangen in een nieuwe Poolse holding in via een aandelenruil (storting van aandelen in ruil voor aandelen in een nieuwe vennootschap). De waarde van de aandelen in Beheer BV bedraagt op dat moment € 8.692.000 en die van de Poolse vennootschap € 1.312.000. De bij aandelenruil gerealiseerde vervreemdingswinst op de aandelen Beheer BV beloopt daarmee € 8.256.852. Polen heft niet over deze winst, omdat de Poolse wetgeving overeenkomstig de Europese Fusierichtlijn een doorschuiffaciliteit kent. Enkele weken later, op 27 december 2018, remigreert de man vanwege een echtscheiding naar Nederland en wordt hij fiscaal weer inwoner van Nederland. Polen kent op dat moment nog geen exitheffing ten aanzien van de aandelen in de Poolse holding (die is pas van toepassing vanaf 1 januari 2019).
Door de terugkeer naar Nederland dient de verkrijgingsprijs van de aandelen in de Poolse holding per de datum van remigratie te worden vastgesteld voor de heffing van inkomstenbelasting in box 2. Hierbij past de inspecteur op basis van een antimisbruikbepaling (‘step-downregeling’) een zogenoemde step-down toe van € 8.256.852, waardoor de verkrijgingsprijs wordt vastgesteld op € 1.747.148 (€ 435.148 + € 1.312.000) in plaats van de historische verkrijgingsprijs en tevens waarde in het economische verkeer bij remigratie van € 10.004.000 (€ 8.256.852 + € 1.312.000, zijnde de waarde van de aandelen in de onderliggende vennootschappen op het moment van de aandelenruil).
Het geschil
De step-downregeling strekt ertoe te voorkomen dat een belastingplichtige de Nederlandse belastingclaim op een aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap blijvend ontgaat door zijn aandelen voor remigratie over te dragen aan een (buitenlandse) holding. Door de verkrijgingsprijs te verlagen met de meerwaarde die is gerealiseerd op de aandelen in de Nederlandse vennootschap bij de overdracht aan de holding, wordt bewerkstelligd dat bij een latere vervreemding van de aandelen in de holding alsnog Nederlandse inkomstenbelasting kan worden geheven over die eerder gerealiseerde winst.
Partijen zijn het erover eens dat de historische verkrijgingsprijs van de aandelen in de Poolse holding € 10.004.000 bedraagt en dat de waarde in het economische verkeer per datum van remigratie eveneens € 10.004.000 bedroeg. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de step-down al dan niet kan worden toegepast op grond van strijd met Europees recht, de goede verdragstrouw ten aanzien van het belastingverdrag tussen Nederland en Polen (‘belastingverdrag’) of de Nederlandse Grondwet.
Oordeel van het hof: strijd met goede verdragstrouw
Het hof stelt voorop dat op grond van het belastingverdrag het heffingsrecht over de vervreemdingswinst van € 8.256.852 die in 2018 werd gerealiseerd bij de overdracht van de aandelen Beheer BV aan de Poolse holding, exclusief was toegewezen aan Polen. Hierdoor kon Nederland zijn nationale heffingsrecht over de vervreemdingswinst in box 2 destijds niet effectueren.
De toepassing van de step-down heeft tot gevolg dat Nederland bij een eventuele toekomstige vervreemding van de aandelen in de Poolse holding dit reeds in 2018 gerealiseerde voordeel alsnog in de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting betrekt. Daarmee eigent Nederland zich volgens het hof in feite alsnog heffingsbevoegdheid toe over het gerealiseerde voordeel dat het belastingverdrag exclusief aan Polen had toebedeeld.
Naar het oordeel van het hof is dit in strijd met de goede trouw die Nederland als verdragspartner jegens Polen in acht moet nemen. Het hof verwerpt het standpunt van de inspecteur dat de goede verdragstrouw niet in het geding is, omdat Polen in dit geval feitelijk geen belasting heeft geheven. Voor de beoordeling van de verdragstrouw is volgens het hof beslissend of Polen op grond van het verdrag het (exclusieve) heffingsrecht toekwam, niet of Polen dat recht ook daadwerkelijk heeft geëffectueerd. Dat Polen geen belasting heeft geheven als gevolg van de toepassing van de Europese Fusierichtlijn en het ontbreken van een exitheffing, doet aan dit oordeel volgens het hof niet af.
Vergelijking met arrest Hoge Raad uit 2017 over belastingverdrag tussen Nederland en België
Het hof gaat ook specifiek in op een arrest van de Nederlandse Hoge Raad uit 2017, waarin werd geoordeeld dat het niet verlenen van een step-up bij remigratie niet in strijd kwam met de goede verdragstrouw ten aanzien van het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België. In die zaak had zich in de periode van buitenlandse belastingplicht geen realisatie voorgedaan van de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang in een Nederlandse vennootschap. In de onderhavige zaak heeft die realisatie in 2018 wél plaatsgevonden en was het heffingsrecht over de gerealiseerde winst op dat moment exclusief aan Polen toegewezen. Dit essentiële feitelijke verschil rechtvaardigt volgens het hof nu een andere uitkomst.
Relevantie voor Belgisch-Nederlandse situaties
Hoewel deze uitspraak de verdragsrelatie Nederland-Polen betreft, verdient zij ook in de Belgisch-Nederlandse context aandacht. De relevante bepaling uit het belastingverdrag tussen Nederland en Polen heeft een vergelijkbare opzet als de overeenkomstige bepaling in het huidige en nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België.
Zoals het hof ook zelf opmerkt in zijn vergelijking met het arrest van de Hoge Raad uit 2017, is de sleutelvraag steeds of bij de verdragspartner een daadwerkelijke realisatie heeft plaatsgevonden van een voordeel waarover het heffingsrecht exclusief aan die staat was toebedeeld. Indien een belastingplichtige tijdens zijn verblijf in België een aanmerkelijk belang realiseert waarover op grond van het verdrag alleen België mocht heffen en hij vervolgens naar Nederland terugkeert, kan toepassing van de step-down in een vergelijkbare situatie evenzeer op gespannen voet staan met de goede verdragstrouw.
Conclusie
Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de uitspraak van Rechtbank Gelderland en stelt de verkrijgingsprijs van de aandelen in de Poolse holding vast op € 10.004.000. De step-downregeling blijft in dit geval buiten toepassing wegens strijd met de goede verdragstrouw. De uitspraak onderstreept dat de reikwijdte van de step-downregeling mogelijk haar grenzen vindt daar waar Nederland zich anderszins heffingsbevoegdheden zou toe-eigenen die het toepasselijke belastingverdrag exclusief aan de andere verdragsstaat toewijst.
Wij gaan ervan uit dat de Belastingdienst beroep in cassatie zal instellen bij de Hoge Raad. Het is dan aan de Hoge Raad om zich uit te laten over de vergelijkbaarheid met het arrest uit 2017 en de vraag of de goede verdragstrouw inderdaad in de weg staat aan de toepassing van de step-down in situaties als deze. We zijn benieuwd wat dat vervolgens betekent voor vergelijkbare gevallen in de Belgisch-Nederlandse praktijk. Wij wachten de uitkomst in spanning af en houden u uiteraard op de hoogte.
Miguel Ikpia en Pepijn van Eijk
2. Stand van zaken nieuw belastingverdrag tussen Nederland en België
In de juni 2023-editie van deze nieuwsbrief meldden we u al dat het nieuwe belastingverdrag tussen België en Nederland op 21 juni 2023 is ondertekend. Dit verdrag zal het huidige belastingverdrag uit 2001 vervangen, maar is nog niet in werking getreden omdat het ratificatieproces in beide landen eerst moet worden afgerond.
Dit ratificatieproces vereist goedkeuring door de parlementen van beide landen. De Nederlandse staatssecretaris van Financiën heeft op 22 april 2026 een update gegeven over de stand van zaken ten aanzien van de onderhandelingen en de ratificatie in Nederland. In een brief aan de Tweede Kamer geeft hij aan dat de gezamenlijke toelichting, die bedoeld is om zoveel mogelijk duidelijkheid te bieden over de uitleg van het nieuwe belastingverdrag, nagenoeg is afgerond. Daarnaast zegt hij dat het streven bestaat om het nieuwe belastingverdrag in 2026 ter goedkeuring voor te leggen aan de Nederlandse Tweede Kamer. Daar zal het naar verwachting uitdrukkelijk worden behandeld, vergelijkbaar met de behandeling van fiscale wetsvoorstellen. In België moet het belastingverdrag nog door zes parlementen (voor de diverse gewesten en gemeenschappen) worden goedgekeurd.
Pas op het moment dat het nieuwe verdrag in beide landen is geratificeerd en beide landen elkaar hiervan in kennis hebben gesteld, treedt het aan het eind van de volgende maand in werking. Vervolgens worden de bepalingen van het nieuwe verdrag van toepassing en komen die in de plaats van die uit het huidige verdrag op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin het verdrag in werking is getreden. Dit zal nu dus op zijn vroegst per 1 januari 2027 zijn, maar wellicht zelfs pas per 1 januari 2028.
Overige ontwikkelingen
Nederland en België zijn nog steeds in gesprek over het opnemen van een mogelijke thuiswerkregeling in het belastingverdrag om (incidenteel) thuiswerken voor grensarbeiders te faciliteren. Grensarbeiders zijn mensen die in België wonen en in Nederland werken, en omgekeerd. Tot op heden hebben deze gesprekken volgens de update van de staatssecretaris echter nog niet geleid tot concrete afspraken.
Wij blijven de ontwikkelingen rond het nieuwe belastingverdrag nauwlettend volgen en houden u op de hoogte zodra er relevante nieuwe informatie beschikbaar komt.
Ilse Janssens, Miguel Ikpia en Pepijn van Eijk
3. Europees Hof van Justitie: Belgische gemeentebelasting voor niet-inwoners in strijd met Europees recht
Op 12 maart 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘HvJ EU’) in de zaak Chefquet geoordeeld dat het Belgisch regime inzake de vaste aanvullende opcentiemen van 7% voor niet-inwoners in strijd is met het Europese vrij verkeer van werknemers. Dit arrest kan belangrijke financiële gevolgen hebben voor grensoverschrijdende werknemers, waaronder Nederlandse inwoners die geheel of ten dele in België werken en worden belast.
Voor belastingplichtigen met recente Belgische aanslagen kan het daarom relevant zijn om te beoordelen of eerder betaalde aanvullende opcentiemen nog kunnen worden aangevochten. In dit artikel bespreken wij de huidige Belgische regeling, het oordeel van het Hof en de mogelijke gevolgen voor belastingplichtigen.
De huidige Belgische regeling: 7 % aanvullende opcentiemen
Belgische inwoners
Voor Belgische fiscale inwoners wordt in het kader van de personenbelasting (de Belgische equivalent van de inkomstenbelasting) een aanvullende gemeentebelasting geheven. Het toepasselijke percentage hangt af van de woonplaats (gemeente) en varieert tussen 0% en 9%, zoals vastgesteld door de bevoegde gemeente.
Dat percentage wordt toegepast op de totaliteit van de belastingen. Bij een tarief in de personenbelasting van 50% (marginaal tarief) en een gemeentebelasting van 7%, zal de globale belasting op het inkomen bijgevolg 53,5% bedragen (50% en 7% aanvullende heffing op die 50%).
Sommige gemeenten heffen geen aanvullende gemeentebelasting. Zo staat de kustgemeente Knokke-Heist bekend om haar 0%-tarief, terwijl andere gemeenten kiezen voor een hoger percentage. Dat heeft vooral te maken met eventuele andere inkomsten van de gemeente en de impact op de gemeentefinanciering.
Niet-inwoners
Niet-inwoners van België die in België belastbare inkomsten hebben (bijvoorbeeld arbeidsinkomsten) vallen onder de belasting van niet-inwoners: de tegenhanger van de personenbelasting voor Belgische inwoners.
Voor hen geldt echter niet het systeem van gemeentebelastingen zoals voor inwoners, maar in plaats daarvan werd een vergelijkbaar systeem van aanvullende opcentiemen ingevoerd. Omdat er voor de niet-inwoners geen concrete woonplaats is in België, werd een vast tarief van 7% (tot 2003: 6%) vastgesteld. Net zoals het geval is voor de gemeentebelastingen voor inwoners, wordt dit tarief toegepast op de verschuldigde Belgische belasting. In de praktijk wordt het veelal benoemd als ‘gemeentebelastingen voor niet-inwoners’.
Het gevolg is dat een niet-inwoner automatisch zijn Belgische belastingen verhoogd ziet met 7%, terwijl een Belgisch inwoner in sommige gemeenten een lager tarief geniet en in andere gemeenten een hoger (tot 9% voor 2025).
De kern van de zaak Chefquet
De zaak Chefquet betrof twee Franse rijksinwoners die in België beroepsinkomen en inkomsten uit onroerend goed verwierven tussen 1992 en 2009 en dienaangaande als niet-inwoner in België werden belast. Op dit Belgisch inkomen werd naast de reguliere progressieve belastingtarieven ook het vaste tarief van 7% opcentiemen toegepast.
De eisers stelden dat de Belgische fiscale wetgeving onverenigbaar is met het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie (‘EU’), omdat dit een verschillende behandeling veroorzaakt tussen inwoners en niet-inwoners. Daarbij worden de niet-inwoners benadeeld ten aanzien van inwoners die woonplaats hebben in gemeenten met een tarief lager dan 7%.
De zaak werd voorgelegd aan het Hof van Beroep te Luik, dat op haar beurt de zaak heeft doorverwezen naar het HvJ EU bij wijze van prejudiciële vraagstelling.
Oordeel HvJ EU
Het HvJ EU kwam in essentie tot drie bevindingen.
- Niet-inwoners en inwoners bevinden zich in een vergelijkbare situatie
Een beperking van het vrij verkeer van werknemers is alleen onverenigbaar met het Europees recht als de situatie objectief vergelijkbaar is en er geen rechtvaardiging is omwille van dwingende redenen van algemeen belang. Voor wat betreft de belasting op het in België verworven inkomen bevinden niet-inwoners en inwoners zich volgens het HvJ EU effectief in een vergelijkbare situatie. De heffing van de aanvullende opcentiemen hangt immers samen met het feit dat het niet eenvoudig is om de niet-inwoners in verband te brengen met een specifieke gemeente, aldus het HvJ EU.
- Indirecte discriminatie op grond van fiscale woonplaats
De toepassing van een vast tarief van 7% voor niet-inwoners terwijl inwoners afhankelijk van hun woonplaats lagere tarieven kunnen betalen, kan volgens het HvJ EU leiden tot indirecte discriminatie op grond van fiscale woonplaats.
- Schending van vrij verkeer van werknemers
Het Europeesrechtelijke vrij verkeer van werknemers verbiedt discriminerende behandeling van werknemers op grond van nationaliteit, waaronder indirecte discriminatie via woonplaatscriteria.
Het HvJ EU oordeelde dat de Belgische regeling in bepaalde gevallen een belemmering kan vormen voor het vrij verkeer van werknemers, omdat de belastingdruk voor niet-inwoners hoger kan uitvallen dan voor inwoners. Het HvJ EU gaat hiermee overigens verder dan de conclusie van de Advocaat-Generaal, die van mening was dat de discriminatie zich beperkte tot een verschil ten aanzien van het gemiddeld tarief van de Belgische gemeentebelastingen. Het HvJ EU oordeelt echter dat in essentie alle heffing van aanvullende opcentiemen van niet-inwoners boven het 0%-tarief onverenigbaar is met het EU-recht.
Beslissing verwijzende rechter en gevolgen voor Belgisch regime
De bal ligt nu weer bij het Hof van Beroep van Luik, dat uitspraak zal moeten doen in de concrete situatie van de eisers. Op basis van het arrest van het HvJ EU lijkt het Luikse hof evenwel nog weinig bewegingsruimte te hebben, en zal het vermoedelijk moeten beslissen tot teruggave van de geheven opcentiemen.
Dat brengt de Belgische regering in een lastig parket ten aanzien van de bestaande regelgeving. Om een constante stroom aan administratieve en gerechtelijke procedures van niet-inwoners te vermijden, alsook de budgettaire impact daarvan, zal zij de regelgeving moeten aanpassen. Het blijft evenwel een groot vraagteken hoe en wanneer ze dat concreet zal doen.
Gevolgen arrest voor Belgische niet-inwoners
Wie kan zich beroepen op het Chefquet‑arrest?
Om rechten te doen gelden op de uitspraak van het HvJ EU, moet het gaan om EU-onderdanen die in België belastbare inkomsten hebben als niet-inwoner waarop aanvullende opcentiemen van 7% werden toegepast (zoals professioneel inkomen). Dit is bijvoorbeeld van toepassing op Nederlanders die in België werken, maar in Nederland wonen.
Deze personen bevinden zich in een vergelijkbare positie als Belgische inwoners wat betreft de belasting op hun Belgische inkomsten en kunnen zich bijgevolg rechtstreeks beroepen op het Chefquet‑arrest om de toepassing van de 7% gemeentebelasting te betwisten.
Mogelijke stappen voor belastingplichtigen
Afhankelijk van de specifieke situatie en in het bijzonder van de tijd die is verlopen sinds de heffing van de Belgische belastingen, staan een aantal beroepsmogelijkheden open.
- Administratief bezwaar (réclamation)
De bezwaarprocedure is over het algemeen gesproken de meest eenvoudige procedure. Een bezwaar kan worden ingesteld binnen één jaar na de vestiging van het aanslagbiljet.
- Verzoek tot ontheffing van ambtswege (demande de dégrèvement d’office)
Indien de bezwaarprocedure reeds is afgelopen, kan tevens een verzoek tot ambtshalve ontheffing worden ingediend bij de fiscale administratie in België. De omstandigheden waarin deze procedure kan worden ingesteld zijn strikter omschreven in vergelijking met de bezwaarprocedure. Zo moet er bijvoorbeeld sprake zijn van een overbelasting die voortvloeit uit onder andere nieuwe bescheiden of feiten. Het Chefquet-arrest kwalificeert effectief als een dergelijk ‘nieuw feit’ en kan dienovereenkomstig gelden als reden van het verzoek tot ontheffing.
Een dergelijk verzoek kan worden ingediend binnen vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin het aanslagbiljet werd gevestigd, een stuk langer dan de bezwaarprocedure.
- Gerechtelijke procedure
Als het administratief beroep wordt afgewezen of onbeantwoord blijft, kan de belastingplichtige ook een gerechtelijke procedure opstarten bij de rechtbank van eerste aanleg. Dit brengt evenwel een stuk meer tijd en kosten met zich mee in vergelijking met de administratieve procedures.
Voorbeeld voor een Nederlandse rijksinwoner
Tot wanneer het Hof van Beroep te Luik in concreto uitspraak doet over de zaak blijft het moeilijk om exact aan te geven wat de gevolgen zullen zijn. Naar alle waarschijnlijkheid zal het volledig bedrag aan aanvullende opcentiemen evenwel moeten worden kwijtgescholden. Het HvJ EU heeft immers middels zijn strikte formulering omtrent de inperking van het vrij verkeer weinig bewegingsruimte gelaten aan de verwijzende rechter, alsook aan de Belgische regering.
We nemen even volgend voorbeeld in acht van een Nederlands rijksinwoner, Belgisch niet-inwoner die:
- als werknemer gedurende 50% van zijn tijd in België voor een Belgische werkgever werkt en voor het overige gedeelte vanuit huis werkt;
- een belastbaar inkomen heeft van € 100.000 voor inkomstenjaar 2025, waarvan € 50.000 belastbaar is in België;
- geen ander inkomen heeft dat belastbaar is in België.
In dit voorbeeld betaalt de belastingplichtige in 2025 een bedrag van € 925,12 aan gemeentebelastingen. Als we de logica volgen die werd uiteengezet door het Europees Hof, zou dit meteen ook het bedrag zijn dat kan worden aangevochten door de belastingplichtige in kwestie, aangezien een inwoner van Knokke geen gemeentebelastingen zou betalen.
Rekening houdende met kosten van een administratieve en eventueel gerechtelijke procedure, zal het dus uitermate belangrijk zijn om per situatie na te gaan wat de potentiële baten zijn. Over welke bedragen spreken we? Over hoeveel aanslagen spreken we? Een ad-hockosten-batenanalyse, dient zich aldus aan. Daarnaast moet er ook melding gemaakt worden van het feit dat de Belgische fiscus zich in het verleden al heeft verzet tegen uitspraken van het HvJ EU. Het is dus op zich niet onwaarschijnlijk dat de early adopters bot zullen vangen bij de administratie en de volledige procedurele weg zullen moeten afleggen, willen zij hun gelijk halen.
Conclusie
Het Chefquet‑arrest is een belangrijke ontwikkeling voor niet‑inwoners die in België belastbare inkomsten hebben en onderworpen zijn aan de vaste gemeentebelasting van 7%, maar voorzichtigheid blijft aangewezen. De weg naar een duidelijke oplossing lijkt nog lang en de procedurekosten kunnen in de tussentijd hoog oplopen.
Kyrill Maes en Carolien Van Echelpoel
4. Europees Hof van Justitie veroordeelt België voor onvolledige implementatie oude CFC-regeling onder ATAD-richtlijn
Op 26 februari 2026 velde het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘HvJ EU’) een belangrijk arrest over de Europese Anti-Tax Avoidance Directive (‘ATAD’). In de zaak Europese Commissie tegen België oordeelde het HvJ EU dat België de Controlled Foreign Company- (‘CFC-’)regels uit de ATAD-richtlijn onvolledig had omgezet, omdat in België geen verrekening werd toegestaan van de in het buitenland geheven belasting op winsten van een CFC in de zin van de ATAD. Het is het eerste arrest waarin het HvJ EU zich expliciet uitspreekt over de interpretatie van de ATAD. Hieronder lichten we het arrest verder toe en bespreken we de impact.
Feiten
De CFC-regels van de ATAD verplichten EU-lidstaten een CFC‑regime in te voeren op basis waarvan de EU-lidstaten inkomsten van deelnemingen in laagbelaste jurisdicties moeten belasten. De CFC-regels beogen het stallen van winsten in deelnemingen in laagbelastende jurisdicties tegen te gaan door de inkomsten van dergelijke deelnemingen te belasten met vennootschapsbelasting op het niveau van de aandeelhouder, zonder af te wachten of deze inkomsten aan de aandeelhouder worden doorbetaald in de vorm van dividenden. De EU-lidstaten kunnen in het kader van de implementatie van een CFC-regime kiezen tussen twee modellen: model A (entiteitsbenadering) en model B (transactionele benadering).
België koos aanvankelijk voor de transactionele benadering (model B). Onder deze benadering worden op het niveau van de Belgische aandeelhouder inkomsten in de belastingheffing betrokken voor zover die via kunstmatige (transfer pricing-)constructies vanuit België naar een laagbelaste buitenlandse entiteit werd verschoven. Om dubbele belastingheffing als gevolg van de CFC-regels te voorkomen, schrijft de ATAD voor dat de EU-lidstaat die winst van een CFC in de belastingheffing betrekt, moet toestaan dat de in de staat van de CFC betaalde belasting wordt verrekend (‘verrekeningsbepaling’). België koos ervoor niet in deze verrekening te voorzien, met als argument dat het niet wenselijk was dubbele belasting te vermijden op kunstmatig weggeleide winst. Bovendien stelde België dat de ATAD slechts regels zou opleggen voor het implementeren van een minimumstandaard (‘minimumharmonisatieclausule’) en dat EU-lidstaten vrij waren om striktere regels te implementeren. De Europese Commissie volgde deze redenering niet en startte een inbreukprocedure om deze wijze van implementeren bij het HvJ EU te toetsen.
Conclusie Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal (‘A-G’) concludeerde dat België niet verplicht was de verrekeningsmogelijkheid uit de ATAD om te zetten in lokale wetgeving. Omdat model B uitsluitend ziet op (volstrekt) kunstmatige constructies, zouden dergelijke situaties volgens haar moeten worden behandeld zoals onder een algemene antimisbruikregeling. De constructie wordt dan volledig genegeerd, zodat geen aanspraak kan worden gemaakt op Unierechtelijke voordelen zoals de verrekening van buitenlandse belasting. Daarnaast achtte de A-G het risico op dubbele belasting beperkt. Een eventueel resterende dubbele belasting zou bovendien bijdragen aan het afschrikkende effect van de CFC-regeling. In het licht van eerdere rechtspraak achtte zij het bovendien verdedigbaar dat een lidstaat een uitzonderingsbepaling niet omzet als dat beter aansluit bij de doelstellingen van de ATAD.
Oordeel HvJ EU
Het HvJ EU volgt de redenering van de A-G niet en sluit aan bij de tekst van de ATAD. Volgens het HvJ EU moet de formulering “de lidstaat staat toe” in de verrekeningsbepaling uit de ATAD worden gelezen als een dwingende verplichting. De richtlijn voorziet nergens in uitzonderingen op deze verplichting en maakt daarbij evenmin onderscheid tussen model A en model B. Het HvJ EU oordeelt daarom dat deze bepaling moet worden gezien als een vorm van uitputtende harmonisatie, waardoor de lidstaten op dit punt geen beoordelingsmarge behouden. België kon zich bijgevolg niet beroepen op de minimumharmonisatieclausule uit de ATAD om de verrekeningsverplichting niet te implementeren. Daarnaast hecht het HvJ EU in zijn oordeel veel belang aan de doelstellingen van de ATAD. In de considerans wordt expliciet verwezen naar de noodzaak om niet alleen grensoverschrijdende belastingontwijking aan te pakken, maar tegelijk ook marktverstoringen binnen de interne markt, zoals dubbele heffing, te voorkomen. Volgens het HvJ EU moet het toepassen van de ATAD, mede in het licht van het evenredigheidsbeginsel, een evenwicht bewaken tussen de bestrijding van belastingontwijking en het voorkomen van deze marktobstakels. In dat kader oordeelt het HvJ EU dat een belastingheffing op inkomsten van een CFC zonder verrekening van de in de CFC‑staat geheven belasting verder gaat dan noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstelling van de CFC-regeling uit de ATAD. De doelstelling van de CFC‑regeling is namelijk bereikt zodra het verschil in belastingdruk tussen de betrokken staten is geneutraliseerd.
Belang van de uitspraak
Impact op CFC-regels in België
Voor België is de rechtstreekse impact op de CFC-regels vandaag de dag beperkt. De Belgische CFC‑regels zijn inmiddels grondig herzien. Sinds aanslagjaar 2024 past België model A toe en voorziet het Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 uitdrukkelijk in de verrekening van buitenlandse belasting op CFC‑winsten. Voor recente jaren lijkt de Belgische wetgeving dus in overeenstemming met de ATAD-richtlijn.
Voor het verleden blijft het arrest wel van praktisch belang. Vennootschappen die onder het oude CFC‑regime werden belast, zonder mogelijkheid om buitenlandse belasting te verrekenen, kunnen nagaan of zij in aanmerking komen voor een verzoek tot ambtshalve ontheffing voor het gedeelte van de belasting waarvoor een verrekening volgens het Hof had moeten worden toegestaan. Het oude regime werd in de praktijk echter zeer uitzonderlijk toegepast, waardoor de uitspraak op Belgische bedrijven slechts in zeer beperkte gevallen impact zal hebben.
Impact op CFC-regels in Nederland
Nederland heeft model B geïmplementeerd met daarnaast een aanvullende CFC-regeling die gebaseerd is op model A. Met betrekking tot de implementatie van model B heeft Nederland zich op het standpunt gesteld dat model B reeds werd toegepast via het arm’s-lengthbeginsel en dat geen aanvullende maatregelen, zoals het voorzien in de door ATAD voorgeschreven verrekeningsmogelijkheid, noodzakelijk waren om aan de richtlijnverplichting te voldoen. Gelet op het onderhavige arrest lijkt de conclusie voor de hand te liggen dat de Nederlandse implementatie van model B tekortschiet vanwege het ontbreken van de verrekeningsmogelijkheid uit de ATAD. Met betrekking tot het verleden komt vervolgens de vraag op, net als het geval is voor België, in hoeverre nog aanspraken bestaan voor een verrekening bij eenzijdige opwaartse verrekenprijscorrecties. Voor de toekomst is het de vraag of de Nederlandse wetgever een verrekeningsmogelijkheid zal introduceren voor verrekenprijscorrecties die binnen de reikwijdte van de CFC-regeling vallen of – net als België – zal kiezen voor het uitsluitend implementeren van model A.
Bredere impact?
Tot slot komt de vraag op of het arrest van het HvJ EU een bredere impact heeft buiten de CFC-regeling van de ATAD. De eerste vraag hierbij luidt wat de betekenis is voor andere regelingen die onderdeel uitmaken van de ATAD. In dat verband kan in het bijzonder gedacht worden aan de earningsstrippingmaatregel, die niet noodzakelijkerwijs beperkt is tot belastingontwijking. De tweede vraag is wat het arrest kan betekenen voor de implementatie en toepassing van andere EU-richtlijnen. Zo zou uit het arrest ook kunnen worden afgeleid dat bij het bestrijden van kunstmatige constructies (denk aan de inhoudingsvrijstelling en deelnemingsvrijstelling uit de EU Moeder-dochterrichtlijn) het misbruik op evenredige wijze moet worden bestreden. In dat geval zou bijvoorbeeld mogelijkerwijs geen ruimte bestaan voor een ‘alles-of-nietsbenadering’, waarbij de gehele inhoudingsvrijstelling wordt geweigerd indien voor een van de achterliggende aandeelhouders sprake zou zijn van een kunstmatige constructie. Wij houden verdere ontwikkelingen uiteraard in de gaten.
Christophe Boerjan, Thomas Vanhoutte en Mees Vergouwen
5. Belgische btw-update: e-facturatie, nieuwe btw-tarieven en verdere invoering btw-ketting
Recent werden in België verschillende relevante btw-wijzigingen doorgevoerd. In dit artikel bezorgen wij u een pragmatisch overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen, waaronder de verplichte invoering van e-facturatie, wijzigingen in bepaalde btw-tarieven en de verdere uitrol van de zogenoemde ‘btw-ketting’.
E-facturatie: enkele aandachtspunten
Op 1 januari 2026 trad de verplichte elektronische facturatie in werking voor lokale, aan btw onderworpen transacties tussen in België gevestigde en voor btw geregistreerde belastingplichtigen. Voortaan moeten facturen elektronisch worden opgemaakt, in principe in het Peppol BIS‑formaat, waarbij zij worden uitgereikt en ontvangen via het Peppol‑netwerk. Voor niet‑naleving zijn sancties voorzien, met administratieve boetes tot € 5.000. Meer details over de werking van de Belgische e-facturatieregels zijn terug te lezen in de september 2025-editie van deze nieuwsbrief.
In de praktijk blijkt dat de omschakeling niet overal probleemloos verloopt. Zo kan een leverancier perfect in staat zijn om e‑facturen uit te reiken, maar geconfronteerd worden met een afnemer die deze (nog) niet kan ontvangen, of omgekeerd. In dergelijke gevallen wordt voorlopig aanvaard dat de factuur op een alternatieve wijze wordt uitgereikt of ontvangen, zonder dat de partij die wel aan haar verplichtingen voldoet, wordt gesanctioneerd of het recht op btw‑aftrek in hoofde van een in regel gestelde afnemer wordt betwist. Dit neemt uiteraard niet weg dat de in gebreke blijvende partij wél aan sancties kan worden onderworpen. Het blijft dan ook aangewezen om de tegenpartij op haar verplichtingen te wijzen en de procedures inzake e‑facturatie niet zomaar naast zich neer te leggen.
Daarnaast voorzag de FOD Financiën een tolerantieperiode van drie maanden, tot eind maart 2026. Gedurende deze periode zouden geen sancties worden opgelegd voor inbreuken op de nieuwe e‑facturatieverplichting, op voorwaarde dat de onderneming kan aantonen dat zij tijdig en op redelijke wijze voorbereidingen heeft getroffen (bijvoorbeeld wanneer de nodige technische middelen nog niet volledig operationeel zijn). Deze tolerantie vormde echter geen algemeen uitstel: dit zal door de administratie strikt, geval per geval, beoordeeld worden.
Hervorming van de btw-tarieven
In navolging van het begrotingsakkoord van de Belgische federale regering van november 2025 werden enkele btw-tariefverhogingen aangekondigd. Hoewel niet alle aangekondigde tariefverhogingen de finale wet hebben gehaald, zijn er twee belangrijke tariefwijzigingen in werking getreden per 1 maart 2026.
Vanaf deze datum genieten fytofarmaceutische producten (pesticiden) en meststoffen vermengd met fytofarmaceutische producten voor landbouwkundig gebruik niet langer van een verlaagd tarief, maar zijn onderworpen aan het standaard btw-tarief van 21%. Het verlaagde btw-tarief van 6% blijft uitsluitend van toepassing op meststoffen zonder fytofarmaceutisch component.
Daarnaast wordt het btw-tarief voor het verschaffen van gemeubeld logies en de terbeschikkingstelling van plaatsen om te kamperen verhoogd van 6% naar 12%. Deze tariefverhoging heeft niet alleen betrekking op het aanbieden van gemeubeld logies voor minder dan drie maanden in een hotel of motel (zowel met als zonder ontbijt), maar ook op gemeubeld logies verstrekt door “inrichtingen met een soortgelijke functie”, wanneer de terbeschikkingstelling betrekking heeft op een periode van minder dan drie maanden en minimaal een van de volgende diensten wordt aangeboden: fysiek onthaal van de gasten, terbeschikkingstelling van huishoudlinnen of dagelijks ontbijt. De verhoging zal impact hebben op overnachtingen in hotels en motels, vakantiehuizen en -woningen, bed en breakfasts, gastenkamers en andere vergelijkbare verblijfsvormen, waaronder het verstrekken van gemeubeld logies via platforms zoals Airbnb.
Er werd reeds een FAQ gepubliceerd door de Belgische btw-administratie omtrent deze tariefwijziging. Hierin werd een overgangsmaatregel aangekondigd op basis waarvan het btw-tarief van 6% van toepassing blijft op reservaties gemaakt uiterlijk op 28 februari 2026, zolang de btw uiterlijk opeisbaar wordt op 30 juni 2026.
Btw-ketting treedt verder in werking per 1 mei 2026
Met ingang van 1 januari 2025 werden de periodieke btw‑aangifteverplichtingen gefaseerd gewijzigd door de invoering van de welbekende ‘btw‑ketting’: een benaming voor de gehele btw-procedure van periodieke btw-aangiften, betaling van de verschuldigde btw en controle tot terugbetaling van te veel betaalde btw. De inwerkingtreding van enkele maatregelen werd evenwel opgeschort; deze zijn pas in werking getreden op 1 mei 2026. Voor een gedetailleerd overzicht van alle maatregelen verwijzen wij u naar de januari 2025-editie van deze nieuwsbrief.
De btw‑rekening‑courant wordt vervangen door de provisierekening. Dit houdt in dat, wanneer bij de indiening van een btw‑aangifte de teruggaaf van het btw‑tegoed wordt verzocht, dit enkel betrekking heeft op het tegoed dat voortvloeit uit die specifieke aangifte. Bij gebrek aan een dergelijk verzoek wordt het btw‑tegoed overgeboekt naar de provisierekening. Daar kan het worden gebruikt om schulden uit toekomstige btw-aangiften aan te zuiveren, schulden van een andere aard te vereffenen of een voorafbetaling te doen. Via het MyMinfin‑platform kan eveneens, via een afzonderlijk verzoek, de terugbetaling van de tegoeden op de provisierekening worden gevraagd.
De btw-aangiften van april 2026 en van het tweede kwartaal 2026 zijn de eerste periodieke btw-aangiften die zullen worden opgenomen in de provisierekening. Indien op 30 april 2026 nog een tegoed op de btw‑rekening‑courant aanwezig is, zijn er twee mogelijkheden. Wanneer op die datum alle periodieke btw-aangiften zijn ingediend, wordt het volledige tegoed automatisch overgeheveld naar de btw‑provisierekening. Ontbreekt op 30 april 2026 echter nog minstens één aangifte, dan wordt eerst een beperkte termijn geboden om de ontbrekende aangifte(n) alsnog in te dienen. Daarna wordt beoordeeld of het tegoed kan worden terugbetaald op de bankrekening, dan wel moet worden aangewend ter aanzuivering van een openstaande schuld.
De administratie zal ook de twee eerder gecommuniceerde bankrekeningnummers hanteren voor btw‑betalingen vanaf 1 mei 2026, voor het eerst te gebruiken voor de betalingen met betrekking tot de btw‑aangifte over april 2026 of het tweede kwartaal van 2026. Het gaat om de volgende bankrekeningnummers:
- BE41 6792 0036 4210 voor onder meer betaling van de af te dragen btw volgend uit rooster 71 van de periodieke btw-aangifte;
- BE42 6792 0000 0054: voor onder meer het vereffenen van een btw-schuld indien de btw-administratie u daarom vraagt.
Houd er tot slot rekening mee dat de vakantieregeling, op basis waarvan de indieningstermijnen voor de btw‑aangiften over juni en juli (en dus ook het tweede kwartaal) worden verlengd, is afgeschaft. Indien deze aangiften dit jaar te laat maar binnen de oorspronkelijk toegestane tolerantie worden ingediend, zal evenwel geen boete wegens te late indiening worden opgelegd. Wij raden u ten zeerste aan de door de FOD Financiën gepubliceerde btw‑kalender te raadplegen om een correct overzicht te behouden van de verschillende indienings- en betalingstermijnen.
Vincent Verschueren en Jordy Symons
6. Invoering Nederlandse pseudo-eindheffing fossiele auto van de zaak per 1 januari 2027
Werkgevers die een auto van de zaak ter beschikking stellen, krijgen in Nederland vanaf 1 januari 2027 mogelijk te maken met een nieuwe fiscale maatregel. Vanaf die datum wordt een pseudo-eindheffing ingevoerd voor fossiele personenauto’s van de zaak die ook privé mogen worden gebruikt. Het gaat daarbij om auto’s met een CO2-uitstoot, zoals benzine- en dieselauto’s, maar ook hybride en plug-in hybride auto’s. Volledig emissievrije auto’s, zoals elektrische auto’s en waterstofauto’s, vallen niet onder deze heffing.
De maatregel is bedoeld om werkgevers te stimuleren hun wagenpark verder te verduurzamen. De pseudo-eindheffing kan voor werkgevers tot een aanzienlijke extra kostenpost leiden. Het is daarom verstandig om tijdig in kaart te brengen wat de impact is op het bestaande en toekomstige wagenpark.
Wat houdt de pseudo-eindheffing in?
De pseudo-eindheffing is een extra loonheffing die voor rekening komt van de werkgever. De heffing staat los van de reguliere bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak bij de werknemer. De werknemer krijgt dus nog steeds te maken met de gebruikelijke bijtelling als de auto voor privédoeleinden wordt gebruikt. In aanvulling hierop kan de werkgever vanaf 2027 dus een extra heffing verschuldigd zijn. De pseudo-eindheffing bedraagt 12% per jaar van de waarde van de fossiele personenauto. Voor auto’s tot en met 25 jaar oud wordt aangesloten bij de cataloguswaarde. Voor oudere auto’s geldt de waarde in het economische verkeer.
Een voorbeeld: voor een werkgever met twintig fossiele leaseauto’s met een gemiddelde cataloguswaarde van € 45.000 kan de pseudo-eindheffing oplopen tot circa € 108.000 per jaar.
Woon-werkverkeer telt mee
Een belangrijk aandachtspunt is dat woon-werkverkeer voor deze regeling als privégebruik wordt gezien. Dit wijkt af van de reguliere bijtellingssystematiek, waarin woon-werkverkeer juist als zakelijk gebruik wordt beschouwd. Dit betekent ook dat een auto waarvoor geen bijtelling geldt, omdat sprake is van een ‘verklaring geen privégebruik’, de pseudo-eindheffing toch aan de orde is als de auto wel voor woon-werkverkeer wordt gebruikt.
In de meeste gevallen is het direct duidelijk wanneer sprake is van woon-werkverkeer. Dat kan echter in bepaalde beroepsgroepen anders liggen wanneer er met fossiele personenauto’s wordt gereden vanwege de bedrijfsvoering. Dit betreft bijvoorbeeld werknemers met oproepdiensten (zoals piket- of wachtdiensten). In dergelijke gevallen wordt het gebruik van de auto om van of naar huis te rijden voorafgaand of na afloop van een oproep niet gezien als privégebruik, maar als benodigd vanwege de bedrijfsvoering. De pseudo-eindheffing is in dat geval niet van toepassing.
Het wordt daarom extra belangrijk om goed vast te leggen waarvoor auto’s van de zaak worden gebruikt en welke afspraken daarover met werknemers zijn gemaakt.
Overgangsrecht voor bestaande auto’s
De wetgever heeft voorzien in overgangsrecht voor fossiele personenauto’s die voor 1 januari 2027 al door dezelfde werkgever aan een werknemer ter beschikking zijn gesteld. Voor deze bestaande auto’s is de pseudo-eindheffing in beginsel pas verschuldigd vanaf 17 september 2030. Dat overgangsrecht geeft werkgevers tijd om hun mobiliteitsbeleid aan te passen. Tegelijkertijd is het geen reden om stil te zitten. Leasecontracten lopen vaak meerdere jaren door. Een auto die nu of binnenkort wordt besteld, kan dus nog steeds binnen de periode vallen waarin de nieuwe heffing verschuldigd is.
Wat betekent dit voor uw organisatie?
De invoering van de pseudo-eindheffing vraagt om een bredere blik op mobiliteit. Werkgevers doen er goed aan om tijdig te beoordelen welke auto’s binnen het wagenpark onder de regeling vallen, wanneer leasecontracten aflopen en welke alternatieven beschikbaar zijn. Ook bij het opstellen of aanpassen van autoregelingen is voorzichtigheid geboden. Wij adviseren toekomstige leasebudgetten, keuzelijsten en mobiliteitsregelingen opnieuw te bekijken. In de praktijk kan dit bijvoorbeeld betekenen dat werkgevers sneller overstappen op volledig elektrische auto’s, hun autoregeling aanpassen of alternatieve mobiliteitsoplossingen aanbieden. Denk aan een mobiliteitsbudget, een combinatie van openbaar vervoer en deelmobiliteit, of een aangescherpt beleid voor nieuwe leaseauto’s.
Internationale impact
De pseudo-eindheffing kan ook spelen in een grensoverschrijdende situatie. Denk aan een Belgische werkgever met een inhoudingsverplichting in Nederland voor werknemers die (deels) werkzaam zijn in Nederland. Hetzelfde geldt voor een Nederlandse werkgever met Belgische werknemers die slechts deels werkzaam zijn in Nederland.
De pseudo‑eindheffing op fossiele auto’s van de zaak is opgenomen in de Nederlandse loonbelastingwetgeving. Dit betekent dat de pseudo-eindheffing ook van toepassing kan zijn indien een auto van de zaak ter beschikking wordt gesteld door een Belgische werkgever aan een werknemer voor wie een inhoudingsplicht voor de Nederlandse loonbelasting bestaat.
Tijdig voorsorteren voorkomt verrassingen
Hoewel 2027 nog ver weg lijkt, is dit hét moment om voor te sorteren. Door nu al het wagenpark, de leasecontracten en de autoregeling te analyseren, ontstaat inzicht in de mogelijke financiële impact. Dat helpt om tijdig keuzes te maken en verrassingen te voorkomen. De pseudo-eindheffing is daarmee niet alleen een fiscale maatregel, maar ook een kans om het mobiliteitsbeleid toekomstbestendig te maken. Werkgevers die nu stappen zetten, kunnen kosten beheersbaar houden en tegelijkertijd bijdragen aan een duurzamer wagenpark.
Aanvullingen vanuit Belgisch oogpunt
In België bestaat op dit moment geen vergelijkbare regeling voor fossiele bedrijfswagens zoals die in Nederland vanaf 2027 wordt voorzien. De fiscale en parafiscale kost voor de werkgever van een niet-elektrische bedrijfswagen met privégebruik situeert zich vooral op drie assen:
- de aftrekbeperking van autokosten in de vennootschapsbelasting (of personenbelasting voor zelfstandigen);
- de bijzondere CO2‑solidariteitsbijdrage (‘CO2‑bijdrage’) die maandelijks aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (‘RSZ’) verschuldigd is;
- de klassieke loonlasten in de vorm van een voordeel alle aard (‘VAA’) bij de werknemer (vergelijkbaar met de Nederlandse bijtelling), dat in principe hoger is voor niet-elektrische bedrijfswagens.
Hoewel er geen pseudo-eindheffing bestaat voor de Belgische werkgever, zorgen de bovenstaande fiscale en parafiscale regels ervoor dat het wagenpark aan bedrijfswagens zich in snel tempo elektrificeert.
Hebt u vragen over de auto van de zaak of wilt u weten wat deze wijzigingen voor uw organisatie betekenen? Neem dan gerust contact op met onze specialisten van KPMG Meijburg & Co. Samen zorgen we ervoor dat uw wagenpark fiscaal in poleposition staat.
Esther Schutte, Esmiralda Pasma, Tessa Kross, Simon Van Speybroeck en Carolien Van Echelpoel
7. Loontransparantie komt eraan: wat Nederlandse en Belgische werkgevers nu moeten weten
Uiterlijk op 7 juni 2026 moet de Europese Loontransparantierichtlijn in alle lidstaten zijn geïmplementeerd, zo ook in Nederland en België. Hieronder bespreken we de belangrijkste gevolgen van deze richtlijn en de wijze van implementatie in Nederland en België.
Verplichtingen Loontransparantierichtlijn in het kort
De Loontransparantierichtlijn beoogt het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen door meer transparantie en betere rechtsbescherming. Werkgevers moeten hun beloningsstructuren baseren op objectieve, genderneutrale criteria, zoals vaardigheden, verantwoordelijkheden, inspanning en arbeidsomstandigheden. Op basis van deze structuur moeten groepen werknemers worden aangewezen die gelijkwaardig werk verrichten, waarbij medezeggenschap (zoals de ondernemingsraad) wordt betrokken.
Transparantie begint al voor indiensttreding: kandidaten moeten vooraf geïnformeerd worden over het te verwachten salaris of de salarisschaal, en vragen naar het vorige salaris van een sollicitant wordt verboden. Werknemers krijgen bovendien het recht om te weten hoe hun salaris zich verhoudt tot dat van collega’s met vergelijkbaar werk. Voor werkgevers met 100 of meer werknemers komt daar een rapportageplicht bij over loonverschillen tussen mannen en vrouwen, met een rapportagefrequentie afhankelijk van de omvang van de organisatie. Als uit die rapportage blijkt dat er binnen een vergelijkbare groep een loonkloof van ten minste 5% bestaat die niet objectief en genderneutraal te verklaren is, moeten corrigerende maatregelen worden genomen.
De rechtspositie van werknemers wordt versterkt doordat zij makkelijker toegang krijgen tot relevante looninformatie en doordat de bewijslast in gevallen van vermeende ongelijke beloning in belangrijke mate bij de werkgever komt te liggen. Niet‑naleving kan leiden tot civiele aansprakelijkheid (zoals schadevergoeding) en bestuursrechtelijke sancties.
Nederlandse implementatie
Nederland kiest voor een zuivere implementatie van de richtlijn, wat betekent dat in het implementatiewetsvoorstel geen verdergaande nationale regels worden opgenomen dan strikt noodzakelijk.
Hoewel de Europese Commissie in december 2025 duidelijk heeft aangegeven dat Nederland geen uitstel krijgt voor de inwerkingtredingsdatum van 7 juni 2026, kent het wetsvoorstel op dit moment een beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. Dat betekent dat grote werkgevers met 150 of meer medewerkers naar verwachting pas over 2027 hoeven te rapporteren (in plaats van 2026), terwijl voor werkgevers met 100 tot en met 149 medewerkers de eerste rapportage over 2030 blijft staan.
De Raad van State (‘RvS’) heeft in april 2026 stevige kanttekeningen geplaatst bij het Nederlandse wetsvoorstel. Zo zet hij vraagtekens bij de haalbaarheid van de implementatiedeadline van 7 juni 2026 en wijst erop dat de eerste rapportage voor werkgevers met 150 of meer werknemers volgens de richtlijn al uiterlijk 7 juni 2027 zou moeten plaatsvinden, niet pas in 2028. Daarnaast is nog onduidelijk welk monitoringsorgaan naleving gaat controleren, hoe dit juridisch wordt verankerd en of het toezicht zich ook zal uitstrekken tot de juistheid van de aangeleverde gegevens, in plaats van alleen de aanwezigheid van een rapportage. Op het vlak van privacy en gegevensbescherming vindt de RvS de uitwerking ontoereikend: de gekozen AVG‑grondslag moet beter worden onderbouwd, de waarborgen rond herleidbare loondata zijn nog niet helder, en de verwerking van gegevens van non‑binaire werknemers is onvoldoende doordacht. Ook wijst de RvS op forse regeldruk voor werkgevers en een mager onderbouwde keuze om geen centrale rijksvoorziening voor rapportages te bieden, terwijl de rollen van minister, monitoringsorgaan en de Arbeidsinspectie verder verduidelijkt moeten worden.
Belgische implementatie
In België is het voorlopig nog wachten op een wetsontwerp dat voorziet in de omzetting van de richtlijn. Achter de schermen zijn verschillende werkgroepen wel al geruime tijd bezig met de voorbereiding van de omzetting. België heeft immers reeds een breed wetgevend kader wat betreft antidiscriminatie van werknemers, onder andere ter bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen. De vraag is voornamelijk hoe de bijkomende beschermingsmechanismen uit de Loontransparantierichtlijn ingepast kunnen worden op de reeds bestaande wetgeving.
Eind januari 2026 werd in het parlement een voorstel tot resolutie ingediend door een van de regeringspartijen met de oproep om te voorzien in een minimale omzetting van de richtlijn en niet aan ‘goldplating’ te doen. Er wordt verwacht dat België aldus geen koploper zal zijn door bijkomende verplichtingen te voorzien in aanvulling op de verplichtingen uit de Loontransparantierichtlijn.
De bevoegde minister van Werk stelde op 15 april 2026 in de Kamercommissie dat België de doelstellingen van de Richtlijn ten volle onderschrijft en dat de omzettingsdeadline een juridisch bindende verplichting is. Het is dus nog steeds de intentie van België om de Europese verplichtingen binnen de gestelde termijn na te leven. Vooralsnog is het echter onduidelijk wat de exacte timing zal zijn en wat de status van ontwerp momenteel is, zodat ook België de implementatiedeadline niet lijkt te gaan halen.
Wat kunnen werkgevers nu doen?
Voor werkgevers verandert dit weinig aan de kernboodschap: wachten is geen optie. De Europese verplichtingen komen eraan, ook als de nationale wetgeving nog in beweging is. Dit is het moment om beloningsstructuren kritisch tegen het licht te houden, functiehuizen en beloningscriteria te objectiveren, een nulmeting van loonverschillen uit te voeren en te zorgen dat HR‑, data‑ en rapportageprocessen klaar zijn voor de nieuwe verplichtingen.
Door nu al transparantie in werving, beloning en interne communicatie te vergroten en de medezeggenschap tijdig te betrekken, kunnen organisaties straks niet alleen voldoen aan de regels, maar loontransparantie benutten als strategisch voordeel: meer vertrouwen, grotere aantrekkingskracht op de arbeidsmarkt en een zichtbaar commitment aan gelijke beloning.
Meer weten? Neem contact op met ons team of bekijk onze factsheets over de Loontransparantierichtlijn en het KPMG Equal Pay Report Dashboard.
Lies van der Sluijs en Freya Potoms