KPMG België-Nederland Nieuwsbrief | Maart 2026

19 maart 2026
nieuwsbrief

Inhoud

1. Nederlandse box 3-heffing: ontwikkelingen nieuwe stelsel en opgaaf werkelijk rendement

In de mei 2025-editie van deze nieuwsbrief hebben wij stilgestaan bij het toen gepresenteerde wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Met dit wetsvoorstel wil het Nederlandse kabinet het huidige door de Hoge Raad gerepareerde en nu hybride box 3-stelsel vervangen door een systeem waarbij belasting wordt geheven over het werkelijk rendement op vermogen. Sindsdien hebben zich diverse ontwikkelingen voorgedaan, zowel op politiek vlak als op uitvoeringsniveau. In dit artikel geven wij een update van de belangrijkste ontwikkelingen.

Voortvang hersteloperatie box 3 en toepassing van tegenbewijsregeling

Zoals eerder toegelicht is het huidige box 3-stelsel sinds het Kerstarrest van de Nederlandse Hoge Raad onderwerp van een omvangrijke hersteloperatie. Alle belastingplichtigen kunnen sinds 2023 via een zogenoemd OWR-formulier (‘Opgaaf werkelijk rendement’) aantonen dat hun werkelijke rendement op alle bezittingen en schulden in box 3 lager is dan het forfaitaire rendement dat door de Nederlandse Belastingdienst is toegepast. Indien dat het geval is, kan aanvullend rechtsherstel worden verkregen. Voor de jaren 2017-2022 is dit alleen mogelijk voor een beperkte groep belastingplichtigen die tijdig bezwaar hebben gemaakt of wiens aanslagen op het moment van het Kerstarrest nog niet definitief vaststonden.

Uit een voortgangsrapportage van het ministerie van Financiën blijkt dat inmiddels ruim 476.000 OWR-formulieren zijn ingediend. De Belastingdienst beoordeelt deze formulieren eerst via een geautomatiseerde toets. Daarna wordt, indien de belastingplichtige in beginsel voor herstel in aanmerking komt, het werkelijke rendement berekend. De uitkomst kan leiden tot een nieuwe aanslag of een vermindering van de bestaande aanslag.

De verwerking van de formulieren is in het najaar van 2025 gestart, waarbij de Belastingdienst is begonnen met de oudste openstaande belastingjaren (vanaf 2017). Daarbij wordt gewerkt van het oudste naar het meest recente jaar. Vanaf de aangifte over 2025 kan de opgaaf van het werkelijk rendement direct in de aangifte worden meegenomen.

Werkelijk rendement op buitenlandse bezittingen

In de voortgangsbrief van de staatssecretaris van Financiën van december 2025 is nader ingegaan op de toepassing van de tegenbewijsregeling in situaties met buitenlandse vermogensbestanddelen, met name buitenlands vastgoed.

Voor buitenlands vastgoed geldt dat Nederland voorkoming van dubbele belasting verleent. In dat kader vergelijkt het aanslagsysteem automatisch twee uitkomsten: (i) de forfaitaire berekeningswijze(n) en (ii) de berekening op basis van het werkelijk rendement (OWR). Daarbij wordt steeds de voor de belastingplichtige meest gunstige uitkomst toegepast, wat waarborgt dat geen hogere belasting wordt geheven dan op grond van het forfaitaire stelsel. Dit is een tegemoetkoming van de Belastingdienst vanwege de inrichting van het aanslagsysteem, aangezien dit niet uit de wetgeving en recente jurisprudentie volgt.

Een aandachtspunt is echter dat toepassing van de OWR-methode ondanks een lagere uiteindelijke belastingdruk wel kan leiden tot een hoger verzamelinkomen na toepassing van de voorkoming van dubbele belasting. Dit kan doorwerken naar inkomensafhankelijke regelingen, zoals toeslagen. Belastingplichtigen die dit effect willen vermijden, kunnen ervoor kiezen geen OWR-formulier in te dienen. Wanneer wel een OWR is ingediend en het vastgestelde verzamelinkomen als onjuist of onwenselijk wordt ervaren, bestaat de mogelijkheid om bezwaar te maken of een verzoek om navordering in te dienen. De Belastingdienst heeft in dit verband aangegeven maatwerk te zullen toepassen.

Vaststelling forfaitaire rendementspercentages 2025 en voorlopige percentages 2026

Zolang het nieuwe box 3-stelsel nog niet in werking is getreden, blijft het huidige overgangsstelsel gelden. In dat kader zijn voor belastingjaar 2025 opnieuw de definitieve forfaitaire rendementspercentages vastgesteld.

Voor banktegoeden bedraagt het definitieve forfaitaire rendement 1,37%, terwijl voor schulden een percentage van 2,7% geldt. Het percentage voor overige bezittingen was al eerder definitief vastgesteld op 5,88%. Deze percentages worden jaarlijks vastgesteld op grond van marktcijfers en vormen de basis voor de berekening van het box 3-inkomen in het tijdelijke stelsel.

Voor 2026 is het definitieve forfaitaire rendement op overige bezittingen vastgesteld op 6%. De percentages voor bank- en spaartegoeden en schulden worden pas begin 2027 definitief vastgesteld, maar de Belastingdienst hanteert in voorlopige aanslagen 2026 momenteel 1,28% respectievelijk 2,70% als voorlopige rendementspercentages op bank- en spaartegegoeden en schulden.

Politieke discussie over het nieuwe box 3-stelsel

Sinds de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is de politieke discussie over het toekomstige box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement verder geïntensiveerd. Daarbij speelt vooral de vraag hoe het nieuwe stelsel exact vorm moet krijgen.

Een belangrijk punt van discussie betreft de keuze tussen een vermogensaanwasbelasting en een vermogenswinstbelasting. In het wetsvoorstel ligt de nadruk op een vermogensaanwasbelasting, waarbij jaarlijks het gerealiseerde én ongerealiseerde rendement wordt belast. Diverse partijen en belangenorganisaties hebben echter gepleit voor een vermogenswinstbelasting, waarbij belastingheffing pas plaatsvindt bij realisatie van de waardestijging. Voor onroerende zaken en aandelen in innovatieve start-ups wordt in het huidige voorstel een vermogenswinstbelasting beoogd, terwijl voor andere vermogensbestanddelen een vermogensaanwasbelasting moet worden ingevoerd.

Hoewel het huidige hyrbide voorstel in februari 2026 door een meerderheid van de Tweede Kamer is aangenomen en inmiddels voor goedkeuring bij de Eerste Kamer ligt, zijn wel meerdere moties aangenomen waarin de regering wordt verzocht het voorgestelde hybride stelsel verder door te ontwikkelen richting een vermogenswinstbelasting. Daarbij is gevraagd om uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een box 3-stelsel op basis van vermogenswinstbelasting te presenteren.

Daarnaast is in de Tweede Kamer aandacht gevraagd voor de behandeling van verliezen binnen het nieuwe box 3-stelsel. Een meerderheid van de Kamer heeft een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht om achterwaartse verliesverrekening (carry-back) mogelijk te maken, zodat verliezen uit een bepaald jaar kunnen worden verrekend met positieve rendementen uit eerdere jaren. Volgens de staatssecretaris wordt onderzocht of een dergelijke regeling kan worden ingevoerd, mits daarvoor budgettaire dekking kan worden gevonden.

Aanpassing wetsvoorstel en invoering in twee stappen

In maart 2026 heeft het kabinet aangegeven het wetsvoorstel mogelijk in twee stappen aan te passen. De eerste stap blijft de invoering van het stelsel van werkelijk rendement per 1 januari 2028. Tegelijkertijd wordt gekeken naar een verdere doorontwikkeling richting een vermogenswinstbelasting op een later moment. Ook wordt onderzocht of aanvullende maatregelen nodig zijn om de effecten van de vermogensaanwasbelasting te verzachten en beter aan te sluiten bij economische realiteit en internationale ontwikkelingen.

Conclusie 

Hoewel het doel van een box 3-stelsel gebaseerd op werkelijk rendement inmiddels breed wordt gedragen, blijken de concrete uitwerking en systematiek politiek en technisch complex. In de tussentijd blijft het overgangsstelsel met forfaitaire rendementen en een tegenbewijsregeling van toepassing, terwijl de hersteloperatie voor eerdere jaren nog volop loopt.

De komende periode zal vooral in het teken staan van de verdere parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer en mogelijke aanpassingen in aanloop naar de geplande invoering per 1 januari 2028.

Miguel Ikpia en Pepijn van Eijk

Naar boven

2. Hervorming Vlaams fiscaal gunstregime voor overdracht familiebedrijven sinds 2026

Sinds 1 januari 2026 geldt in Vlaanderen een vernieuwd fiscaal gunstregime voor de overdracht van familiebedrijven via schenking of erfenis. Dit volgt uit een decreet dat op 18 december 2025 is goedgekeurd. De Vlaamse Belastingdienst (‘Vlabel’) publiceerde begin januari 2026 een FAQ en een nieuw aanvraagformulier, die in februari 2026 zijn aangevuld met extra verduidelijkingen.

Strengere behandeling van residentieel vastgoed

Het gunsttarief blijft mogelijk voor de overdracht van aandelen van een familiebedrijf, maar residentieel vastgoed is voortaan uitgesloten. Dit geldt ook als woningen of bouwgronden in de praktijk zakelijk worden gebruikt.

Het deel van de aandelenwaarde dat betrekking heeft op residentieel vastgoed binnen de vennootschap of in deelnemingen van minstens 10%, valt onder het gewone tarief van de schenkbelasting (3% of 7%) of erfbelasting (tot 27%).
De 10%-grens wordt berekend op grond van een gewogen gemiddelde op basis van het daadwerkelijke belang in de dochtervennootschap.

Landbouwgrond, industriegrond en nijverheidsgrond worden niet als residentieel gezien. Staat er wel een woongebouw op, dan wordt dat deel alsnog uitgesloten. Bij gemengd gebruik wordt per (gedeelte van een) kadastraal perceel beoordeeld.

Uitzondering voor vastgoedvennootschappen

Voor vastgoedvennootschappen bestaat een uitzondering op de algemene regels, op voorwaarde dat minstens 75% van hun omzet afkomstig is uit residentieel vastgoed én dat zij zowel drie jaar voor als drie jaar na de overdracht minstens één voltijdse werknemer in dienst hebben. Vlabel verduidelijkt dit in een aanvulling op de FAQ: deze werknemer moet verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst en mag ook de schenker, diens echtgenoot of echtgenote, of de toekomstige begiftigde zijn. Belangrijk is wel dat ook voor vastgoedvennootschappen de voorwaarde blijft gelden dat er een reële economische activiteit moet zijn. Het loutere beheer van vermogen volstaat niet. Toch blijven er enkele onduidelijkheden. Zo is het niet duidelijk hoe strikt de driejaarsvoorwaarde rond tewerkstelling wordt toegepast, bijvoorbeeld bij tijdelijk personeelsverloop.

Op basis van de wetgeving is het niet helemaal duidelijk of de 75%-omzetdrempel bij familiale groepen op geconsolideerde basis of per individuele vennootschap moet worden beoordeeld. De gepubliceerde FAQ bevestigt echter dat de beoordeling van zowel de omzetdrempel als de tewerkstellingsvoorwaarde per afzonderlijke vennootschap moet gebeuren. Elke betrokken vennootschap moet dus apart minstens 75% van haar omzet uit residentieel vastgoed halen én minstens één voltijdse werknemer tewerkstellen.

De FAQ verduidelijkt daarnaast dat onder ’omzet‘ alle inkomsten uit de aankoop, verkoop, bouw of verhuur van residentieel vastgoed worden verstaan, voor aftrek van kosten en belastingen, op het moment van de schenking of het openvallen van de nalatenschap.

Vlabel verduidelijkt verder in zijn FAQ dat schulden of financieringslasten die specifiek voor residentieel vastgoed zijn aangegaan, niet mogen worden afgetrokken van de venale waarde van het vastgoed. Dit wijkt af van het gebruikelijke principe waarbij het geherwaardeerde nettoactief als basis dient voor de waardering van aandelen. Hierdoor kan een situatie ontstaan waarbij het belastbare bedrag hoger ligt dan de werkelijke waarde van de aandelen. 

Verhuur binnen de groep

Ook bij intragroepsverhuur blijft de eis gelden dat sprake moet zijn van een reële economische activiteit. Alleen het residentiële deel wordt uitgesloten van het gunstregime.

Nieuw verplicht waarderingsverslag bij overdracht familiale vennootschap

Vanaf 1 januari 2026 is het verplicht om bij iedere schenking of erfenis waarvoor het gunstregime wordt aangevraagd, een waarderingsverslag te laten opstellen door een bedrijfsrevisor (die niet als commissaris binnen de vennootschap optreedt) of een gecertificeerd accountant. Dit verslag moet de verkoopwaarde van de aandelen van de familiale vennootschap vermelden, evenals de verkoopwaarde van ieder residentieel onroerend goed waarop de vennootschap of haar dochtervennootschappen een zakelijk recht hebben. Daarnaast moet het verslag duidelijk aangeven welk deel van de aandelenwaarde betrekking heeft op residentieel vastgoed, zowel binnen de vennootschap zelf als via deelnemingen van ten minste 10% in dochtervennootschappen, en welke waarderingsmethodiek is toegepast.

Bij schenkingen moet het verslag zijn gedateerd en ondertekend voor de datum van de notariële schenkingsakte. Het verslag moet, samen met andere relevante documenten zoals het aandelenregister, uiterlijk binnen zeven dagen na de eerste werkdag na registratie van de schenkingsakte aan Vlabel worden verstrekt. Voor schenkingsakten tussen 1 januari en 31 maart 2026 geldt een verlengde indieningstermijn van zestig dagen. Volgens de FAQ mag het verslag van voor 1 januari 2026 dateren, mits het voldoet aan de nieuwe regelgeving. Voor schenkingen zonder voorafgaand attest geldt geen maximale geldigheidsduur van het verslag. De FAQ benadrukt dat de belastingplichtige zich op het moment van de schenking bewust moet zijn van de belastingplicht, de belastbare grondslag, het toepasselijke tarief en eventuele vrijstellingen of verminderingen. De referentiedatum voor de waardebepaling van de aandelen moet bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de datum van de schenkingsakte liggen.

Verder volgt uit de FAQ dat de waardebepaling niet uitsluitend kan worden gebaseerd op de laatst vastgestelde jaarrekening, omdat deze mogelijk niet alle actuele en relevante gegevens bevat die van invloed zijn op de waarde op de referentiedatum. Daarom moet in de praktijk vaak een tussentijdse balans worden opgesteld waarin alle op dat moment bekende en relevante elementen worden meegenomen.

Bij vererving moet het waarderingsverslag zijn gedateerd en ondertekend voor het indienen van de aangifte nalatenschap en bij die aangifte worden gevoegd. Of dit in de praktijk altijd haalbaar is, valt nog te bezien, met name bij grotere vennootschapsgroepen waar het identificeren en waarderen van residentieel vastgoed tijd kan vergen. Volgens de FAQ zal Vlabel echter een flexibele houding aannemen bij verzoeken om uitstel voor het indienen van de aangifte nalatenschap wanneer de duur van de waarderingsprocedure dit noodzakelijk maakt. Eventuele belastingverhogingen die op dat moment gelden, blijven echter van toepassing. Indien uitstel wordt verleend en ook de verlengde termijn wordt overschreden, geldt een lagere belastingverhoging dan bij overschrijding van de oorspronkelijke termijn.

Er kan een attest worden aangevraagd om vooraf zekerheid te krijgen over de toepassing van het gunstregime. Dit attest is bindend voor Vlabel. Een waarderingsverslag moet altijd worden bijgevoegd, ook als er geen residentieel vastgoed is.

Voorwaarden behoud gunstregime

Daarnaast heeft de decreetgever de voorwaarden voor het behoud van het Vlaamse fiscale gunstregime verder aangescherpt. Dit betreft de zogenaamde ‘continuïteitsvoorwaarden’, die gedurende drie jaar na de overdracht moeten worden nageleefd om het voordeel van het gunstregime niet te verliezen.

Een van de belangrijkste voorwaarden is het uitkeringsverbod. Voor kapitaalvennootschappen houdt dit in dat het kapitaal gedurende drie jaar na de authentieke schenkingsakte of het overlijden van de erflater niet mag worden verminderd door uitkeringen of terugbetalingen.

Bij kapitaalloze vennootschappen mag het bedrag van de inbrengen gedurende deze periode niet dalen tot onder het niveau van de inbrengen op het moment van de overdracht. In de nieuwe regelgeving is het uitkeringsverbod in lijn gebracht met het arrest van het Hof van Cassatie van 13 december 2024.

Indien het uitkeringsverbod wordt geschonden, wordt alsnog het gewone tarief in de schenk- of erfbelasting geheven op het bedrag waarmee het kapitaal of de inbrengen zijn verminderd, naar rato van de overgedragen aandelen.

Tot slot geldt dat wanneer gebruik wordt gemaakt van de uitzondering voor vastgoedvennootschappen, ook de tewerkstellingsvoorwaarde gedurende drie jaar na de overdracht moet worden nageleefd.

Toekomstige restschenkingen

De FAQ verduidelijkt dat alle hierboven vermelde wijzigingen ook van toepassing zijn op toekomstige restschenkingen die vanaf 1 januari 2026 plaatsvinden.

Voor deze restschenkingen moeten zowel de voorwaarden voor het toepassen van het gunstregime als de belastbare grondslag worden vastgesteld op het moment van het overlijden van de eerste begiftigde, aldus Vlabel.

De verstrenging van het gunstregime bij de overdracht van familiale vennootschappen zal zorgvuldige voorbereiding, een strakke tijdslijn en een nauwgezette opvolging van de schenkingsakte en de aangifte nalatenschap vergen.

Vlabel heeft de FAQ inmiddels voor het eerst aangevuld, en het is op dit moment niet duidelijk of er nog verdere aanvullingen of verduidelijkingen zullen volgen. Neem gerust contact met ons op om de impact voor de overdracht van uw familiale vennootschap samen te bespreken.

Tillo Dumont

Naar boven

3. Deadline transferpricingdocumentatie 2024 nadert: opstellen Master File en Local File

Voor veel ondernemingen komt de deadline voor de Nederlandse aangifte vennootschapsbelasting 2024 dichterbij. Daarmee nadert ook de datum waarop de transferpricingdocumentatie volledig beschikbaar moet zijn. Indien aan de relevante omzetcriteria wordt voldaan, betekent dit in Nederland dat zowel de Master File (groepsdossier) als de Local File (lokaal dossier) uiterlijk op de indieningsdatum van de aangifte vennootschapsbelasting aanwezig moeten zijn in de administratie.

Wanneer het boekjaar 2024 gelijkloopt met het kalenderjaar en gebruik wordt gemaakt van de beconregeling, is de deadline voor de Master File en Local File daarom 1 mei 2026.

In de praktijk zien wij dat de Belastingdienst bij boekenonderzoeken steeds vaker direct de Master File en Local File opvraagt en deze als uitgangspunt neemt. Het is daarom belangrijk om tijdig te controleren of de documentatie compleet en actueel is, des te meer omdat het niet beschikbaar hebben van deze documentatie kan resulteren in omkering van de bewijslast.

Toepassingsbereik Master File- en Local File-verplichtingen

De verplichtingen in het kader van de Local File en Master File zijn van toepassing op Nederlandse groepsentiteiten van een multinationale groep met een geconsolideerde groepsopbrengst van ten minste € 50 miljoen in het verslagjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het jaar waarop de aangifte betrekking heeft. Ook indien de regelgeving rondom de Master File en Local File niet van toepassing is op een belastingplichtige, dient deze gegevens (rapporten, benchmarks, analyses) paraat te hebben waaruit de zakelijkheid van transacties tussen groepsvennootschappen blijkt.

Business restructuring en IP-overdracht

In de aangifte vennootschapsbelasting wordt expliciet gevraagd of in de Local File is opgenomen dat sprake is van een ‘business restructuring’ of een overdracht van immateriële activa, zoals intellectuele eigendomsrechten (‘IP’) of goodwill.

Een onjuiste beantwoording van deze vraag kan in bepaalde gevallen eveneens leiden tot omkering van de bewijslast. Goede documentatie van dergelijke transacties blijft daarom essentieel.

Groepsvennootschappen buiten Nederland

Ook groepsvennootschappen buiten Nederland hebben te maken met de documentatieverplichtingen rondom de Master File en Local File. De deadlines hiervoor zijn per land verschillend en wijken (veelal) af van die in Nederland. In toenemende mate moeten in andere landen Master Files en/of Local Files over het betreffende aangiftejaar daadwerkelijk worden opgestuurd naar de lokale belastingdienst. Het aanwezig zijn van de documentatie in de administratie is dan niet langer voldoende.

Master File en Local File in België 

In overeenstemming met de aanbevelingen van de OESO heeft België in 2016 eveneens documentatieverplichtingen inzake verrekenprijzen ingevoerd op basis van een formele jaarlijkse (elektronische) indieningsverplichting. Meer bepaald geldt de verplichting tot het opmaken en indienen van een Master File-formulier (275MF) en een Local File-formulier (275LF) voor elke Belgische groepsentiteit van een multinationale groep die een (of meerdere) van de onderstaande criteria overschrijdt op basis van de statutaire jaarrekening van het voorafgaande boekjaar:

  • totaal van € 50 miljoen aan bedrijfs- en financiële opbrengsten (met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten);
  • balanstotaal van € 1 miljard;
  • jaargemiddelde van het personeelsbestand van 100 voltijdse equivalenten.

De Belgische indieningstermijn is verschillend naargelang het type formulier: het Master File-formulier moet ingediend worden binnen twaalf maanden na de laatste dag van de rapporteringsperiode van de multinationale groep (zijnde 31 december 2026 voor boekjaren eindigend per 31 december 2025), terwijl de deadline van het Local File-formulier samenvalt met de indieningstermijn voor de Belgische aangifte vennootschapsbelasting (naar verwachting 30 september 2026 voor boekjaren eindigend per 31 december 2025). 

In december 2025 is een nieuw Local File-formulier gepubliceerd dat van toepassing is voor boekjaren vanaf 1 januari 2025. Dit formulier vervangt het formulier dat in juni 2024 werd vastgesteld. Beide formulieren zijn elektronisch in te dienen op het BEPS13-platform van de Belgische belastingautoriteiten (via MyMinfin).

Ook voor het Master File-formulier gelden enkele nieuwe vereisten. Voor het Master File-formulier is bijkomende informatie vereist over de waardeketenanalyse van de groep, de DEMPE-functies en de financieringsregelingen. Op dit punt gaan de nieuwe Belgische vereisten verder dan wat vereist is op basis van de OESO-standaard. Het is daarom aan te raden om na te gaan of de Master File van de groep voldoet aan de nieuwe Belgische vereisten en om de bijkomende informatie waar nodig op te nemen in de Master File of in een aparte appendix (voor Belgische doeleinden). 

Het niet (tijdig) indienen van deze verrekenprijsformulieren of het indienen van onvolledige of onjuiste formulieren kan administratieve sancties teweegbrengen. Deze boetes kunnen variëren van € 1.250 tot € 25.000 en zullen doorgaans opgelegd worden vanaf de tweede overtreding. Wanneer echter kan aangetoond worden dat er sprake is van kwade trouw of opzet om belastingen te ontduiken, kan voor de eerste overtreding al een boete van € 12.500 opgelegd worden.

Tot slot

De vereisten en termijnen voor het indienen van transferpricingdocumentatie zoals de Master File en Local File lopen in verschillende landen uiteen, zo ook in de vergelijking tussen Nederland en België.

Situaties van herstructureringen alsmede overdrachten van immateriële activa binnen de groep vragen in het kader van transfer pricing specifieke aandacht. De documentatieverplichting rondom de Local File en Master File kan – mede hierdoor – veel tijd en moeite kosten voor belastingplichtigen. Het opzetten van deze documentatie dient zorgvuldig te gebeuren en de documentatie moet jaarlijks worden bijgewerkt. Wij adviseren u hiermee tijdig te starten en zijn uiteraard graag bereid u hierbij te helpen.

Stefan Ubachs, Bruno van der Wel en Véronique Slachmuylders

Naar boven

4. Actualisering besluit toelichting Nederlands btw-nultarief 

Op 28 februari 2026 heeft de Nederlandse staatssecretaris van Financiën een geactualiseerde versie gepubliceerd van het Besluit Toelichting Tabel II. Dit besluit vervangt de vorige versie uit 2023 en bevat nadere toelichting op de toepassing van het btw‑nultarief voor internationale goederenleveringen en ‑diensten.

De actualisering beoogt met name het beleid te verduidelijken en in lijn te brengen met recente wetgeving en de uitvoeringspraktijk. Hoewel geen sprake is van fundamentele beleidswijzigingen, zijn op meerdere punten gerichte verduidelijkingen en technische aanpassingen doorgevoerd die voor de btw‑praktijk relevant zijn. Wij lichten deze wijzigingen hieronder toe.

Aantonen btw-nultarief bij uitvoer: scherpere afbakening

Een belangrijke verduidelijking heeft betrekking op het aantonen van het btw-nultarief bij uitvoer. In het nieuwe besluit is explicieter uitgewerkt welke eisen gelden voor de hoedanigheid en vestigingsplaats van de afnemer. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen uitvoer door of voor rekening van de leverancier en zogenoemde afhaaluitvoer, waarbij de afnemer het vervoer verzorgt.

Deze verduidelijking is met name van belang in situaties waarin de leverancier de uitvoer niet zelf verricht en daarom niet over de uitvoerdocumenten beschikt. Het besluit benadrukt dat in die gevallen zwaardere eisen worden gesteld aan de bewijspositie van de leverancier. Een factuur en betalingsbewijs zijn op zichzelf onvoldoende; aanvullende bescheiden waaruit blijkt dat de goederen de Europese Unie daadwerkelijk hebben verlaten blijven noodzakelijk.

Ketentransacties: verduidelijking begrip ‘tussenhandelaar’

De toelichting op (intracommunautaire) ketentransacties is naar aanleiding van een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst aangepast. Daarbij is het begrip ‘tussenhandelaar’ nader verduidelijkt. De aangepaste toelichting geeft meer richting aan de vraag welke schakel binnen een keten als tussenhandelaar kwalificeert en aan welke levering het intracommunautaire vervoer moet worden toegerekend.

De tussenhandelaar is de ondernemer (niet zijnde de eerste leverancier) die de goederen zelf vervoert of laat vervoeren, óf voor wiens rekening het vervoer plaatsvindt. Cruciaal daarbij is voor wiens rekening het vervoer plaatsvindt. Het besluit maakt nu expliciet dat dit niet uitsluitend wordt bepaald door:

  • wie het transportcontract met de vervoerder sluit; en/of
  • wie de vervoerder betaalt.

Ook wordt meer gewicht toegekend aan de partij die het risico van verlies of beschadiging van de goederen tijdens het vervoer draagt. De economische realiteit van het vervoer is daarmee doorslaggevend en niet uitsluitend de formele contractuele positie.

Zorgvuldigheidseis en bewijspositie

Ook de toelichting op de zorgvuldigheidseis bij intracommunautaire leveringen is aangepast. In het eerdere besluit kon de indruk ontstaan dat ondernemers hun zorgvuldig handelen moesten aantonen als een materieel vereiste voor toepassing van het btw-nultarief. Het geactualiseerde besluit verduidelijkt dat zorgvuldig handelen geen zelfstandig vereiste vormt. Wel blijft gelden dat het btw-nultarief (achteraf) kan worden geweigerd indien de ondernemer onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld, bijvoorbeeld in fraudegerelateerde situaties. De zorgvuldigheidseis fungeert daarmee nadrukkelijk als toetsingskader voor de Belastingdienst en niet als extra bewijslast voor de ondernemer. Deze verduidelijking sluit aan bij de Europese jurisprudentie.

Terminologie: ‘formele’ voorwaarden

Voor de levering van accijnsgoederen en specifieke bulkgoederen kan onder voorwaarden het btw-nultarief gelden. Aan de toepassing van dit nultarief zijn diverse voorwaarden verbonden. De toelichting duidt deze voorwaarden niet langer aan als ‘formele’ maar als ‘overige’ voorwaarden. Dit betreft onder andere voorwaarden over de accijnsstatus van goederen, of de goederen zijn opgeslagen in een accijnsgoederenplaats, of de goederen eventueel worden vervoerd onder schorsing van accijns, de bestemming van goederen in een btw-entrepot en of de goederen binnen de reikwijdte van het btw-entrepotregime vallen. 

Uit jurisprudentie volgt dat het niet voldoen aan een formele voorwaarde op zichzelf niet aan toepassing van het btw-nultarief in de weg mag staan, tenzij daardoor niet kan worden aangetoond dat aan de materiële voorwaarden is voldaan. Met de gewijzigde term poogt de staatssecretatis meer gewicht aan de voorwaarden toe te kennen. Wij betwijfelen of deze wijziging het beoogde effect heeft. De Indirect Tax-adviseurs van KPMG Meijburg & Co helpen u graag bij het in kaart brengen van de mogelijke impact van de wijzigingen op uw onderneming. Neemt u gerust contact op met een van hen, of met uw gebruikelijke adviseur.

Menno Steijvers

Naar boven

5. Kwalificatie van zzp’ers: ontwikkelingen en handhaving in Nederland en België

De fiscale en arbeidsrechtelijke kwalificatie van zelfstandigen blijft in Nederland volop in ontwikkeling. In de december 2024-editie van deze nieuwsbrief hebben wij stilgestaan bij het arrest van de Nederlandse Hoge Raad van 24 maart 2023 in de Deliveroo-zaak, waarin het beoordelingskader voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst verder is verduidelijkt. 

Sindsdien hebben zich verschillende ontwikkelingen voorgedaan in zowel de rechtspraak als de handhaving. Hieronder volgt een beknopte update en maken wij een vergelijking met de situatie in België.

Verdere verduidelijking in de rechtspraak

Nederland

In februari 2025 heeft de Hoge Raad in de Uber-zaak prejudiciële vragen beantwoord over de rol van ondernemerschap bij de beoordeling van arbeidsrelaties. De Hoge Raad bevestigde dat ondernemerschap een volwaardig criterium vormt, maar niet doorslaggevend is. Daarnaast benadrukte de Hoge Raad dat er geen vaste rangorde bestaat tussen de criteria uit het Deliveroo-arrest; alle omstandigheden van het geval moeten in onderlinge samenhang worden beoordeeld.

Deze uitgangspunten zijn recent toegepast door Gerechtshof Amsterdam in het vervolg van de Uber-zaak. In deze procedure stond de vraag centraal of Uber-chauffeurs als werknemers of als zelfstandigen moeten worden aangemerkt. Het hof oordeelde dat de zes chauffeurs in deze procedure geen arbeidsovereenkomst met Uber hadden. Hun mate van ondernemerschap gaf hierbij de doorslag. Zo bepalen zij hun eigen werktijden, werken zij vaak voor meerdere opdrachtgevers, investeren zij zelf in hun werkzaamheden (zoals de auto) en dragen zij zelf commerciële risico’s.

Tegelijkertijd benadrukte het hof dat de kwalificatie van een arbeidsrelatie altijd afhankelijk is van de individuele omstandigheden van het geval. Het is daarom niet mogelijk om collectief vast te stellen dat alle chauffeurs werknemer of zelfstandige zijn. Binnen één organisatie kan het dus voorkomen dat dezelfde werkzaamheden zowel door werknemers als door zelfstandigen worden verricht.

België

In 2022 werd in België in een gelijkaardige context geoordeeld dat de beoordeling of sprake is van zelfstandigheid of werknemerschap afhangt van algemene criteria. Hoewel de toepassing van specifieke criteria vastgelegd in de wetgeving voor de sector van het wegvervoer wees op een sterke economische afhankelijkheid en dus op een vermoeden van werknemerschap bij de chauffeurs, was de beoordeling aan de hand van de algemene criteria (zoals de partijwil, de vrijheid om arbeidstijd en werk te organiseren en de mogelijkheid om hiërarchische controle uit te oefenen) uiteindelijk doorslaggevend. Belangrijk om te onthouden is dat specifiek in de wet vastgelegde indicatoren dus kunnen suggereren dat er een arbeidsrelatie bestaat, maar dat de concrete feiten getoetst aan de algemene criteria uiteindelijk bepalen of er al dan niet sprake is van juridische ondergeschiktheid.

Huidige beoordelingskader

Nederland

Naast de ontwikkelingen in de rechtspraak is ook de Nederlandse wetgeving volop in beweging. Het nieuwe Nederlandse kabinet heeft op 6 maart 2026 aangekondigd het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (‘VBAR’) te schrappen en in plaats daarvan verder te werken aan het nog in te dienen wetsvoorstel voor de zogenoemde Zelfstandigenwet. Dit voorstel moet een duidelijker wettelijk kader bieden, waarbij vooraf wordt getoetst of iemand als zelfstandige kan werken aan de hand van een driestappentoets: de zelfstandigentoets, de werkrelatietoets en een sectoraal rechtsvermoeden. Daarnaast wil het kabinet vaart maken met het deel van het VBAR-wetsvoorstel dat ziet op het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst voor laagbetaalde zzp’ers. Voor zzp’ers met een uurtarief tot € 38 (peildatum 1 januari 2026) geldt dan dat, als zij zich op dit rechtsvermoeden beroepen, de opdrachtgever moet aantonen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het wetsvoorstel is echter nog in behandeling door de Tweede Kamer.

België

In België gelden voor een aantal sectoren, zoals de bouwsector, de schoonmaaksector, de bewakingssector en de sector van vervoer van goederen en personen reeds sinds enige tijd specifieke beoordelingscriteria. Indien een aantal van de criteria zijn vervuld, kan dat duiden op een werknemersrelatie in ondergeschikt verband. Het gaat hier echter telkens om een weerlegbaar vermoeden. Aan de hand van de algemene criteria zoals hierboven beschreven en de feitelijke omstandigheden kan elke partij zulk vermoeden weerleggen en bewijzen dat het gaat om een zelfstandige samenwerkingsvorm.

Handhaving door Nederlandse Belastingdienst

De Nederlandse Belastingdienst handhaaft sinds 1 januari 2025 weer actief op schijnzelfstandigheid. In de praktijk zien we een toename van bedrijfsbezoeken, waarbij de Belastingdienst vragen stelt over het beleid en de processen rondom de inzet van zelfstandigen. Daarnaast wordt het toezicht in bepaalde sectoren verder aangescherpt, waaronder de bouwsector, waar extra aandacht bestaat voor de kwalificatie van arbeidsrelaties.

Hoewel de handhaving is geïntensiveerd, heeft het Nederlandse kabinet aangegeven dat in 2026 nog sprake is van een gedeeltelijk verlengde ‘zachte landing’. Dit betekent dat de Belastingdienst in beginsel start met een bedrijfsbezoek en geen verzuimboetes oplegt. Tegelijkertijd kunnen bij schijnzelfstandigheid wel correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen loonheffingen volgen, en zijn ook vergrijpboetes mogelijk bij opzet of grove schuld. Het kabinet geeft aan dat de resterende zachte-landingsmaatregelen per 1 januari 2027 vervallen.

Wat betekent dit voor organisaties?

Het is van groot belang dat het beleid rondom de inzet van zelfstandigen niet alleen op papier staat, maar ook daadwerkelijk in de praktijk wordt nageleefd. Twijfelt u of de inzet van zzp’ers binnen uw organisatie nog aansluit bij de huidige regels? Onze specialisten denken graag met u mee over de beoordeling van arbeidsrelaties.

Esther Hoppenbrouwers, Esmiralda Pasma, Tessa Kross en Jeroen Vandenbossche

Naar boven

6. Nederlandse Hoge Raad oordeelt over toepassing doelmatigheidsgrens pensioenartikel in belastingverdrag Nederland-België

Het pensioenartikel in het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België bepaalt op ingewikkelde wijze welk land belasting mag heffen over pensioen, de woonstaat of de bronstaat. De toepassing van dit artikel is regelmatig onderwerp van discussie. 

Recent heeft de Nederlandse Hoge Raad een arrest gewezen dat duidelijkheid biedt ten aanzien van de ‘doelmatigheidsgrens’ van € 25.000. Over het oordeel van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in deze procedure schreven wij in april 2023-editie van deze nieuwsbrief. In de procedure gaat het om een inwoner van België met pensioen- en lijfrente-inkomsten uit Nederland. Voor een volledige toelichting over de werking van het pensioenartikel verwijzen we naar onze bijdrage over de uitspraak van Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hieronder zullen we het oordeel van de Hoge Raad toelichten.   

Situatie en geschil

In het geschil dat ten grondslag ligt aan deze procedure is sprake van een inwoner van België. Hij ontving in de periode 2014 tot en met 2017 een pensioen van ruim € 29.000 per jaar van een Nederlands pensioenfonds. Daarnaast ontving hij in deze jaren lijfrente-uitkeringen van € 359 in 2014 en van € 1.437 in 2015 tot en met 2017 van een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij. 

Het geschil draait om op welke wijze de doelmatigheidsgrens van € 25.000 moet worden uitgelegd. De Nederlandse inspecteur is van mening dat aan deze voorwaarde is voldaan indien het totale brutobedrag dat belastingplichtige aan pensioen en lijfrenten uit Nederland ontvangt in totaal meer dan € 25.000 per jaar bedraagt. De belastingplichtige stelt dat aan deze voorwaarde slechts is voldaan indien het totaal van de uitkeringen die voldoen aan voorwaarde 1 en voorwaarde 2 meer dan € 25.000 per jaar bedraagt. Volgens belastingplichtige zouden voor de beoordeling van het drempelbedrag slechts de ontvangen uitkeringen in aanmerking moeten worden genomen die in België niet progressief worden belast. 

Oordeel Hoge Raad

Anders dan Gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de gelijkluidige conclusie van advocaat-generaal Ettema oordeelt de Hoge Raad dat de tekst van het pensioenartikel geen steun biedt voor de uitleg van belastingplichtige. De Hoge Raad oordeelt dat de woorden ‘voor zover’ slechts de omvang van de heffingsbevoegdheid van Nederland bepalen als de drempel van voorwaarde 3 wordt overschreden. De omschrijving van die drempel bevat deze woorden echter niet. De Hoge Raad oordeelt dat hieruit kan worden afgeleid dat de drempel niet slechts betrekking heeft op het totaal van de uitkeringen dat voldoet aan voorwaarde 1 en voorwaarde 2, maar in plaats daarvan op het totale brutobedrag aan uitkeringen dat belastingplichtige ontvangt uit Nederland. Ook het feit dat de tekst verwijst naar pensioeninkomsten “die op grond van het vorenstaande in de verdragsluitende Staat waaruit zij afkomstig zijn, belastbaar zouden zijn” overtuigt de Hoge Raad niet. De Hoge Raad overweegt dat deze uitleg steun vindt in de gezamenlijke artikelsgewijze toelichting bij het verdrag. 

De uitkomst van deze procedure is verassend, gelet op de uitgebreide en logische interpretatie van het hof en de advocaat-generaal. Deze biedt echter wel duidelijkheid voor situaties waarin het totale brutobedrag op jaarbasis meer dan € 25.000 bedraagt, maar een lager bedrag voldoet aan voorwaarde 1 en 2. De doelmatigheidsgrens moet dus zo worden uitgelegd dat aan voorwaarde 3 wordt voldaan indien de door belastingplichtige ontvangen uitkeringen uit Nederland in totaal meer dan € 25.000 per jaar bedragen. 

Ilse Janssens en Pepijn van Eijk

Naar boven

7. Nederlandse internetconsultatie over aanpassing fgr-definitie fonds en introductie afmeldregeling 

Van december 2025 tot februari 2026 liep in Nederland een internetconsultatie over de aanpassing van de definitie van het fonds voor gemene rekening (‘fgr’) en het voorstel om een optionele fgr-afmeldregeling te introduceren voor kleine fondsen. Deze internetconsultatie volgt na een onderzoek van mogelijke knelpunten en een verruiming van overgangsregels met Prinsjesdag 2025, zoals ook besproken in de september 2025-editie van deze nieuwsbrief. Hieronder bespreken wij de hoofdlijnen van het consultatievoorstel. 

Optionele afmeldregeling voor kleine fondsen

In het consultatievoorstel wordt een optionele afmeldregeling voor kleine fondsen voorgesteld. Op grond van deze afmeldregeling kunnen kleine fondsen ervoor kiezen om als fiscaal transparant te worden behandeld. Deze afmeldregeling zal gaan functioneren naast de mogelijkheid om te worden aangemerkt als ‘inkoopfonds’ – wat eveneens leidt tot fiscale transparantie – en kent drie voorwaarden die we hieronder bespreken.

  1. Maximaal twintig participanten 

Toepassing van de afmeldregeling gedurende de looptijd van een fonds mag niet leiden tot toerekening van het vermogen van het fonds en diens resultaten aan meer dan twintig participanten. Dit betreft een doorlopende toets. Op deze regel geldt een uitzondering: indien krachtens erfrecht het bewijs van deelgerechtigdheid overgaat en de overschrijding van het aantal participanten een tijdelijk karakter heeft, kan het fonds fiscaal transparant blijven. Hierdoor wordt voorkomen dat een tijdelijke overschrijding direct tot verlies van transparantie leidt.

  1. Informatieverplichting

Fondsen die gebruikmaken van de afmeldregeling hebben bij het indienen van het verzoek en bij wijzigingen ten aanzien van de deelgerechtigden in het fonds de verplichting om bepaalde informatie te verstrekken die voor de belastingheffing van belang kan zijn (zoals het adres, de woon- of vestigingsplaats en het BSN dan wel het RSIN.

  1. Eenmaal per fonds 

De afmeldregeling mag slechts eenmaal ten aanzien van een fonds worden toegepast. Een fonds dat eerder gebruik heeft gemaakt van de afmeldregeling, kan niet opnieuw gebruikmaken van de regeling nadat het fonds niet meer aan de voorwaarden voor de regeling voldoet of zelf heeft verzocht om toch te worden aangemerkt als fgr. Dit moet voorkomen dat fondsen flexibel heen en weer kunnen schakelen van een kwalificatie als transparant of niet-transparant.

Aanpassing fgr-definitie 

In het consultatievoorstel wordt ook een aanpassing voorgesteld van de fgr-definitie en de definitie van ‘transparant fonds’, de fiscaal transparante evenknie van het fgr. Onder de voorgestelde aangepaste definitie wordt als fgr aangemerkt: 

  1. een fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden door het voor gemene rekening beleggen of anderszins aanwenden van gelden dat een beleggingsinstelling of instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft);
  2. waarvan de deelgerechtigdheid in een fonds blijkt uit verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid, waarbij de bewijzen van deelgerechtigdheid niet als verhandelbaar worden aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fgr (inkoopfonds); en
  3. dat niet reeds vanwege zijn rechtsvorm zelfstandig belastingplichtig is. 

In de terminologie van de Wft worden beleggingsinstellingen onderscheiden in ‘fondsen’ en ‘maatschappijen’. Een van de knelpunten uit de praktijk is dat de huidige fgr-definitie verwijst naar de begrippen beleggingsfonds en fonds voor collectieve belegging in effecten van artikel 1:1 Wft. De verwijzing naar het begrip fonds vereist kennis van het financieel toezichtrecht en leidt met name bij buitenlandse fondsen tot lastige beoordelingen en discussies. De aangepaste definitie moet deze interpretatieproblemen verminderen en bovendien wordt hiermee verduidelijkt dat ook buitenlandse personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid kunnen kwalificeren als fgr.

Bovendien wordt met de toevoeging van voorwaarde c en de hiermee samenhangende aanpassing van de definitie van transparant fonds voorkomen dat een niet-transparante rechtsvorm onder voorwaarden toch fiscaal transparant zou worden door een op de rechtsvormvergelijkingsmethode voorgaande kwalificatie als ‘transparant fonds’.

Vervolg

Het kabinet gaat de ontvangen reacties beoordelen en aan de hand daarvan beslist het of, en zo ja, op welke wijze de voorgestelde aanpassingen worden uitgewerkt in een definitief wetsvoorstel. Een eventuele wetswijziging zal naar verwachting op zijn vroegst per 1 januari 2027 in werking treden. 

Miguel Ikpia, Ilse Janssens en Pepijn van Eijk

Naar boven

© 2026 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.