KPMG België-Nederland Nieuwsbrief | Oktober 2026

30 oktober 2026
belgue

Inhoud

1. Terugblik KPMG België-Nederland Desk Seminar 2026

Afgelopen woensdag, 28 oktober 2026, vond ons jaarlijkse KPMG België-Nederland Desk Seminar plaats in Hotel Nassau Breda. In verschillende workshops verkenden de Nederlandse en Belgische specialisten van de KPMG België-Nederland Desk actuele grensoverschrijdende fiscale onderwerpen, onder andere rond multinationale ondernemingen, global mobility, vermogende particulieren en M&A-transacties.

Vanuit de KPMG België-Nederland Desk kijken wij terug op een geslaagd seminar met een mooie en diverse groep deelnemers. We hopen dat ons seminar waardevolle inzichten opleverde over de fiscale kansen én uitdagingen van grensoverschrijdende activiteiten tussen België en Nederland.

Bent u geïnteresseerd in hand-outs van de presentaties of gaat u graag met ons in gesprek over uw specifieke situatie, neemt u dan gerust contact met ons op via deze link.

Daarnaast horen we graag in welke mate ons seminar waardevol is voor u en uw organisatie, en hoe we toekomstige edities beter kunnen laten aansluiten op uw wensen. We nodigen u dan ook van harte uit om onze enquête in te vullen, ook als u helaas niet aanwezig was.

Naar boven

2. Nederlands kennisgroepstandpunt: geen misbruik inhoudingsvrijstelling bij belang buitenlandse holding in Nederlandse vennootschap

In de juli 2025-editie van deze nieuwsbrief berichtten wij u over de arresten van de Hoge Raad in de zogenoemde Belgische zaken. Daarin bevestigde de Hoge Raad dat de Nederlandse antimisbruikregeling in de dividendbelasting op basis van Europees recht streng moet worden toegepast. Ook gaf de Hoge Raad nadere handvatten over de toepassing van deze misbruiktoets. 

De Nederlandse Belastingdienst heeft recent een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de toepassing van de antimisbruikregeling bij een buitenlandse houdstervennootschap, waarin deze jurisprudentie wordt toegepast op een veelvoorkomende situatie. De Belastingdienst concludeert dat in de voorgelegde situatie geen sprake is van misbruik, waardoor de inhoudingsvrijstelling kan worden toegepast en dus geen Nederlandse dividendbelasting hoeft te worden ingehouden op de voorgenomen dividenduitkering van de Nederlandse vennootschap. Hieronder gaan wij nader in op dit kennisgroepstandpunt. 

Feiten

De casus ziet op een natuurlijk persoon (A) die woont in een andere EU-lidstaat. A houdt alle aandelen in een aldaar gevestigde vennootschap (X EU). X EU houdt op haar beurt de aandelen in een in Nederland gevestigde vennootschap (Y BV), die een materiële onderneming drijft. Y is voornemens dividend uit te keren aan X EU. 

X EU houdt in de EU-lidstaat waar zij is gevestigd een bankrekening aan en voert daar tevens haar administratie. Daarnaast beschikt X EU over een kantoorruimte in het woonhuis van A in de EU-lidstaat. Voor het gebruik van deze kantoorruimte betaalt X EU aan A een zakelijke vergoeding.

A is in dienstbetrekking bij X EU en tevens statutair bestuurder van X EU. Naast A heeft X EU een tweede bestuurder, een natuurlijk persoon die in Nederland woont. Vanaf de daarvoor ingerichte kantoorruimte in zijn woonhuis verricht A structureel hoofdzakelijk strategische, bestuurlijke en financiële werkzaamheden voor X EU. Hierdoor behaalt X EU een hoger rendement met de deelneming in Y BV dan bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. A ontvangt van X EU een zakelijk salaris voor zijn werkzaamheden van € 75.000 per jaar.

Op basis van een zakelijke managementovereenkomst tussen X EU en Y BV oefent X EU strategisch toezicht uit op de operationele werkzaamheden van Y BV en op de aansturing van personeelsleden. Deze werkzaamheden worden namens X EU verricht door A. Ook stelt A jaarlijks het budget en het financiële doel voor Y BV vast en is A verantwoordelijk voor het vaststellen van de jaarrekening van Y BV. X EU ontvangt voor de werkzaamheden voor Y BV een zakelijke vergoeding. Er wordt in het standpunt niet gesproken over de hoogte van deze managementvergoeding.

Antimisbruiktoets inhoudingsvrijstelling

Wettelijk kader

De inhoudingsvrijstelling die is opgenomen in de Wet op de dividendbelasting 1965 kan worden toegepast op grensoverschrijdende dividenduitkeringen, mits geen sprake is van misbruik. Een internationale houdsterstructuur wordt als misbruik aangemerkt als het belang wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om Nederlandse dividendbelasting bij een ander te ontgaan (‘subjectieve voorwaarde’) en sprake is van een kunstmatige constructie die niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (‘objectieve voorwaarde’). 

Voor de subjectieve voorwaarde wordt in beginsel de zogenoemde wegdenkgedachte toegepast. Daarbij wordt beoordeeld hoeveel Nederlandse dividendbelasting verschuldigd zou zijn als de buitenlandse tussenhoudster wordt weggedacht en de achterliggende aandeelhouder het belang rechtstreeks zou houden. Als zonder tussenkomst van de buitenlandse vennootschap meer Nederlandse dividendbelasting is verschuldigd, is in beginsel aan de subjectieve voorwaarde voldaan, tenzij de belastingplichtige voldoende tegenbewijs kan leveren. 

Aan de objectieve voorwaarde is in beginsel – wederom behoudens tegenbewijs vanuit de belastingplichtige – voldaan als de buitenlandse vennootschap geen materiële onderneming drijft waaraan de Nederlandse deelneming functioneel kan worden toegerekend, de vennootschap geen tophoudster is die een wezenlijke functie verricht voor de internationale groep, zij geen schakelfunctie verricht tussen de Nederlandse vennootschap en een andere topholdingvennootschap, en geen actieve participatiemaatschappij is. In hoeverre daarvan sprake is, wordt onder meer beoordeeld op basis van de functies, bedrijfseconomische activiteiten en bezittingen van de buitenlandse vennootschap (ook wel ‘substance’ genoemd).

Daarnaast bevat de Nederlandse regelgeving diverse zogenaamde substancevoorwaarden die een rol spelen bij de bewijslastverdeling. Indien aan deze substancevoorwaarden wordt voldaan, geldt een bewijsvermoeden dat geen sprake is van misbruik, tenzij de inspecteur het tegendeel aannemelijk maakt. Als niet aan alle substancevoorwaarden wordt voldaan, kan de opbrengstgerechtigde of inhoudingsplichtige op basis van andere feiten en omstandigheden aannemelijk maken dat de antimisbruikbepaling niet van toepassing is. Het niet voldoen aan de substancevoorwaarden betekent dus niet automatisch dat sprake is van misbruik (en vice versa).

Jurisprudentie

Uit de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en de Nederlandse Hoge Raad volgt dat misbruik moet worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, waarbij moet worden gekeken naar de vennootschappelijke structuur als geheel. Ook ontwikkelingen die zich na het opzetten van de structuur voordoen, kunnen daarbij van belang zijn. Een constructie die oorspronkelijk met geldige zakelijke redenen was opgezet, kan immers op enig moment alsnog kunstmatig worden als de omstandigheden veranderen, maar de structuur ongewijzigd in stand blijft. 

Omstandigheden die kunnen wijzen op misbruik zijn bijvoorbeeld het functioneren als doorstroomvennootschap, het ontbreken van daadwerkelijke economische activiteiten en het niet vrij kunnen beschikken over de ontvangen dividenden. Omstandigheden die erop kunnen wijzen dat geen sprake is van misbruik zijn onder meer dat de buitenlandse (houdster)vennootschap een materiële onderneming drijft waaraan het Nederlandse belang functioneel kan worden toegerekend, een wezenlijke houdsterfunctie binnen het concern vervult of beschikt over voldoende bedrijfseconomische aanwezigheid. 

Conclusie

De Belastingdienst stelt voorop dat in de voorgelegde casus aan de subjectieve voorwaarde is voldaan. Indien X EU namelijk zou worden weggedacht, zou een dividenduitkering van Y BV aan A rechtstreeks zijn belast met 15% Nederlandse dividendbelasting. Desondanks concludeert de Belastingdienst dat in dit geval niet aan de objectieve voorwaarde is voldaan, zodat de inhoudingsvrijstelling toch van toepassing is. Uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt volgens de Belastingdienst namelijk niet dat sprake is van een kunstmatige constructie die niet berust op geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. 

Belang voor de praktijk

Met dit kennisgroepstandpunt wordt wederom bevestigd dat de antimisbruikregeling een beoordeling van alle feiten en omstandigheden vergt. Hoewel de Hoge Raad in de Belgische zaken een strikte benadering van de misbruiktoets heeft bevestigd, is dit standpunt een welkome verduidelijking die laat zien dat personal holdings ook binnen deze strikte benadering in aanmerking kunnen komen voor de inhoudingsvrijstelling. 

Na de Belgische zaken ligt in de Nederlandse jurisprudentie de nadruk op voldoende actieve bemoeienis van de buitenlandse vennootschap met de Nederlandse deelneming en voldoende relevante economische substance in verband met de werkzaamheden voor de Nederlandse deelneming. In het standpunt bevestigt de Belastingdienst dat een buitenlandse houdstervennootschap die reële economische activiteiten verricht nog steeds succesvol een beroep kan doen op de inhoudingsvrijstelling, ook als niet aan alle Nederlandse substancevoorwaarden wordt voldaan. Van belang is dat de vennootschap daadwerkelijk betrokken is bij de besluitvorming van de Nederlandse deelneming of een wezenlijke functie binnen de groep vervult.

In het kennisgroepstandpunt blijft in het midden welke mate van bemoeienis met de Nederlandse deelneming vereist is en wat de omvang was van de managementvergoeding die X EU ontving van Y BV. Dit roept de vraag op of aan die bemoeienis en de omvang van de managementvergoeding hogere eisen worden gesteld bij een belang in een groot bedrijf met een aanzienlijke omzet dan bij een belang in een kleiner bedrijf met een beperktere omzet.

Verder is het opvallend dat X EU niet volledig voldoet aan de Nederlandse substancevoorwaarden. Een van die voorwaarden is dat de jaarlijkse loonkosten van X EU ten minste € 100.000 bedragen, terwijl de jaarlijkse loonkosten van X EU in dit geval € 75.000 bedragen. De Belastingdienst acht het niet voldoen aan deze voorwaarde echter niet doorslaggevend, omdat uit het feitenonderzoek is gebleken dat het aan A toegekende salaris van € 75.000 zakelijk is.

Wilt u meer weten over de gevolgen van dit kennisgroepstandpunt voor uw structuur of hebt u vragen over dividendbelasting en antimisbruikbepalingen in Belgisch-Nederlandse situaties, neem dan gerust contact op met de KPMG België-Nederland Desk of met uw vaste contactpersoon bij KPMG Meijburg & Co.

Rens van den Brandt, Niek Franken en Pepijn van Eijk

Naar boven

3. Septemberverklaring 2026: Vlaamse fiscale maatregelen vermogensplanning aangekondigd

In de Septemberverklaring van 30 september 2026 heeft de Vlaamse Regering een beperkt aantal fiscale maatregelen aangekondigd die relevant zijn voor vermogensplanning. Hoewel de focus van de verklaring voornamelijk lag op het op orde brengen van de overheidsfinanciën, bevatten de aangekondigde maatregelen toch enkele belangrijke aandachtspunten voor particulieren en familiebedrijven.

Verhoogd verkooprecht bij aankoop van enige eigen woning

De Vlaamse Regering heeft beslist om het verlaagde verkooprecht (vergelijkbaar met de Nederlandse overdrachtsbelasting) voor de aankoop van de enige eigen woning opnieuw te verhogen van 2% naar 3%. Deze maatregel betekent een gedeeltelijke terugkeer van de tariefverlaging die op 1 januari 2025 werd ingevoerd.

In een standpunt van 1 oktober 2026 heeft de Vlaamse Belastingdienst reeds verduidelijkt dat voor de bepaling van het toepasselijke tarief in principe de datum van de koopovereenkomst doorslaggevend is.

Koopovereenkomsten die vanaf 1 januari 2027 worden gesloten, zullen bijgevolg in beginsel onderworpen zijn aan het verhoogde tarief van 3%. Onderhandse koopovereenkomsten die voor 1 januari 2027 werden gesloten, kunnen daarentegen nog in aanmerking komen voor het huidige tarief van 2%. In dit geval vraagt de administratie aan notarissen om in de notariële verkoopakte een fiscale verklaring op te nemen waarin wordt verklaard dat de koopovereenkomst voor 1 januari 2027 werd gesloten. Indien er twijfel bestaat, kan de Vlaamse Belastingdienst hiervoor bewijsstukken opvragen. 

Als bewijs dat de koopovereenkomst voor 1 januari 2027 tot stand is gekomen, kan onder meer worden verwezen naar de betaling van een voorschot voor die datum. Daarnaast kunnen ook andere objectieve elementen relevant zijn, zoals een formele kredietaanvraag die door zowel de koper als de kredietinstelling werd ondertekend, of de datum waarop de notaris de voorbereidende werkzaamheden voor het verlijden van de authentieke akte heeft aangevat. Voor authentieke akten die na 30 april 2027 worden verleden, zal de Vlaamse Belastingdienst in elk geval aanvullende bewijsstukken opvragen.

Bijzondere aandacht is vereist wanneer partijen werken met een wederzijdse aankoop- en verkoopbelofte (ook wel een ‘gekruiste optie’ genoemd). In dat geval ontstaat de verkoop volgens de Vlaamse Belastingdienst pas op het moment van het verlijden van de authentieke akte. De datum van die akte zal dan ook bepalend zijn voor het toepasselijke verkooprecht.

Verlaging van de erfbelasting uitgesteld

De geplande hervorming van de Vlaamse erfbelasting voor kleine en middelgrote nalatenschappen wordt uitgesteld. Waar aanvankelijk een eerdere invoering werd aangekondigd, zou de verlaging van de erfbelasting pas vanaf 1 januari 2029 in werking treden. De maatregel past binnen de ambitie van de Vlaamse Regering om de erfbelasting, die vaak als een ’belasting op rouw’ wordt omschreven, te verlichten.

Over de concrete uitwerking van deze hervorming bestaat momenteel nog onzekerheid. Zo is nog niet bekend welke nalatenschappen precies onder het verlaagde regime zullen vallen, noch welke tarieven of schijven zouden worden aangepast. Voorlopig gaat het dan ook om een beleidsintentie die nog verder in regelgeving zal moeten worden uitgewerkt.

Geen wijziging in het gunstregime voor familiale vennootschappen 

In het Vlaams Gewest bestaat een fiscaal gunstregime voor de overdracht van familiale ondernemingen en familiale vennootschappen. Indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, geldt een vrijstelling van schenkbelasting en een verlaagd tarief in de erfbelasting van 3% of 7%.

De Septemberverklaring van 2026 bevat geen verdere wijzigingen aan dit gunstregime. Wel trad op 1 januari 2026 reeds een belangrijke hervorming in werking voor familiale vennootschappen. Daarbij werden residentieel vastgoed en bouwgronden uitgesloten van het toepassingsgebied van het gunstregime. Om het gedeelte van de waarde van de aandelen dat niet langer in aanmerking komt voor de fiscale gunstregeling te bepalen, moet een waarderingsverslag worden opgesteld door een bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant. De Septemberverklaring brengt hierin geen verdere wijzigingen aan, zodat het hervormde regime zoals ingevoerd op 1 januari 2026 onverkort van toepassing blijft.

Manon Verlinden en Dorien Christiaen

Naar boven

4. Belangrijkste Nederlandse fiscale maatregelen Prinsjesdag 2026

Op Prinsjesdag, afgelopen 15 september 2026, heeft het Nederlandse kabinet het pakket Belastingplan 2027 aangeboden aan de Tweede Kamer. Het pakket bevat diverse fiscale maatregelen die vanaf 2027 of in latere jaren in werking moeten treden. Omdat het kabinet geen meerderheid heeft in zowel de Tweede Kamer als Eerste Kamer, is nog niet zeker welke voorstellen uiteindelijk ongewijzigd worden aangenomen.

Een uitgebreide toelichting op de aangekondigde maatregelen is te vinden in ons Prinsjesdagmemorandum. Voor Belgische ondernemingen, investeerders en particulieren met activiteiten of belangen in Nederland zijn met name de volgende maatregelen relevant.

Lagere overdrachtsbelasting voor beleggingswoningen

Het Nederlandse overdrachtsbelastingtarief voor woningen die niet als hoofdverblijf worden gebruikt, wordt per 1 januari 2027 verlaagd van 8% naar 7%. De maatregel maakt deel uit van een breder pakket waarmee het kabinet investeringen in de Nederlandse huurwoningmarkt wil stimuleren. Voor eigen woningen blijft het tarief van 2% gelden en voor bedrijfsvastgoed blijft het algemene tarief van 10,4% van toepassing.

Nieuwe fiscale stimulans voor start-ups en scale-ups

Het kabinet introduceert een aantrekkelijker regime voor werknemersopties van kwalificerende start-ups en scale-ups. In plaats van belastingheffing op het moment waarop aandelen verhandelbaar worden, vindt belastingheffing in beginsel pas plaats bij verkoop van de aandelen. Daarnaast wordt slechts 65% van het werkelijke voordeel dat met de opties wordt behaald in de belastingheffing betrokken. De regeling beoogt om Nederland aantrekkelijker te maken voor innovatieve ondernemingen en internationaal talent.

Verhoging energie-investeringsaftrek

Om investeringen in energiebesparende bedrijfsmiddelen en duurzame energie verder te stimuleren, wordt het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) verhoogd van 40% naar 45,5%. Hierdoor kunnen ondernemingen een groter deel van hun investeringen fiscaal in aftrek brengen.

Wijzigingen voor aanmerkelijkbelanghouders

Het kabinet stelt een aantal technische wijzigingen voor binnen de aanmerkelijkbelangregeling voor aandeelhouders met een aanmerkelijk belang in box 2 van de Nederlandse inkomstenbelasting. Zo wordt verduidelijkt hoe de verkrijgingsprijs van aandelen wordt vastgesteld wanneer een vennootschap haar zetel naar Nederland verplaatst. Daarnaast wordt een samenloop tussen de regeling voor een zogenoemd overlijdensdividend bij erfrechtelijk verkregen aandelen en de regels tegen excessief lenen van de eigen vennootschap weggenomen. Deze maatregelen zijn vooral relevant voor internationaal opererende aandeelhouders en familiebedrijven.

Afschaffing diverse ondernemersfaciliteiten

De startersaftrek wordt per 2027 feitelijk afgeschaft door middel van een verlaging tot € 10 en verdwijnt volledig in 2028. Daarnaast worden ook andere ondernemersfaciliteiten afgebouwd, zoals de regeling voor willekeurige afschrijving voor starters. Hiermee zet de Nederlandse wetgever de trend voort om fiscale verschillen tussen zelfstandigen en werknemers verder te verkleinen en de fiscale wetgeving te vereenvoudigen.

Belastingheffing in box 3 blijft onzeker

Een definitief nieuw stelsel voor de belastingheffing over vermogen in box 3 laat voorlopig op zich wachten. Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is in de Eerste Kamer gestrand en het kabinet heeft aangekondigd in 2027 eerst verdere keuzes te maken over de toekomstige vormgeving van de belastingheffing op vermogen voor het gestrande voorstel weer vlot te trekken. Voor belastingplichtigen met belastbare beleggingen zoals in Nederland gelegen vastgoed blijft daardoor nog enige tijd onzekerheid bestaan over de toekomstige box 3-heffing.

Kort na Prinsjesdag heeft het kabinet in een brief van 29 september 2026 echter laten weten voornemens te zijn om het nieuwe box 3-stelsel versneld te willen omvormen tot een volledige vermogenswinstbelasting, waarbij directe inkomsten (rente, dividend en huurinkomsten) en indirect rendement in de vorm van waardestijging pas worden belast op het moment dat de inkomsten daadwerkelijk worden gerealiseerd (bij ontvangst van de directe inkomsten en de daadwerkelijke vermogenswinst bij verkoop). Vanaf 2028 moet de vermogenswinstbelasting al van toepassing worden voor financiële instrumenten, waaronder reguliere aandelen, obligaties en optierechten. Per 2030 zouden ook andere vermogensbestanddelen onder de vermogenswinstbelasting moeten gaan vallen.

Ter dekking van deze versnelde invoering, wordt voorgesteld om het heffingsvrije vermogen in box 3 in 2027 te verlagen tot € 30.846 (in 2026 nog € 59.357) en het forfaitaire rendement voor overige bezittingen in het huidige box 3-stelsel te verhogen van 6% naar 7,5%. Ook is het plan om het nieuwe jaarlijkse heffingsvrije inkomen in het nieuwe box 3-stelsel, dat het huidige heffingsvrije vermogen vervangt, te verlagen van € 2.000 naar € 1.000. Daarnaast wordt voorgesteld om ter verdere budgettaire dekking het toptarief in box 2 in 2027 tot en met 2030 tijdelijk te verlagen van 31% naar 29,2% en het drempelbedrag voor de excessieflenenmaatregel in box 2 vanaf 2027 in vijf jaarlijkse stappen van € 80.000 te verlagen van € 500.000 naar € 100.000 in 2031. De vraag is echter of deze voorstellen kunnen rekenen op voldoende steun in de Tweede Kamer en Eerste Kamer.

Tot slot

Hoewel veel maatregelen een beoogde ingangsdatum van 1 januari 2027 hebben, zal de parlementaire behandeling nog moeten uitwijzen welke voorstellen uiteindelijk worden aangenomen. Met name voor Belgische investeerders, aandeelhouders, werkgevers en grensoverschrijdende ondernemers kunnen verschillende maatregelen gevolgen hebben voor hun Nederlandse positie. Wij blijven de verdere ontwikkelingen volgen.

Miguel Ikpia en Pepijn van Eijk

Naar boven

5. Belgische meerwaardebelasting: doorstaat de exitheffing de Europese toets?

België voerde in 2026 een meerwaardebelasting in op financiële activa. Het nieuwe regime is van toepassing in de rechtspersonenbelasting en de personenbelasting en is voor veel Belgische belastingplichtigen een streep door de rekening. Anders dan in Nederland bleef de waardeaangroei van financiële activa in België voorheen veelal onbelast. 

Hierna gaan we nader in op de exitheffing die is ingevoerd in de Belgische meerwaardebelasting en de Europese rechtspraak over de houdbaarheid van exitheffingen onder Europees recht.

De exitheffing op financiële meerwaarden 

Om te voorkomen dat België bij emigratie naar een ander land haar heffingsbevoegdheid verliest op basis van een belastingverdrag, is in de nieuwe meerwaardebelasting een fictief realisatiemoment ingebouwd bij het verbreken van de hoedanigheid van Belgisch fiscaal rijksinwoner. De latente meerwaarden op alle financiële activa die de belastingplichtige aanhoudt op de laatste dag van Belgisch rijksinwonerschap worden geacht te zijn gerealiseerd en worden aldus belastbaar bij emigratie. 

Bij vertrek naar bepaalde jurisdicties, waaronder de landen in de Europees Economische Ruimte (EER), wordt de betaling van de verschuldigde belasting in beginsel uitgesteld. De betaling zal pas verschuldigd zijn als de betrokken activa binnen twee jaar na emigratie daadwerkelijk worden gerealiseerd (bijvoorbeeld bij verkoop). Na twee jaar zonder dergelijke realisatie, vervalt de exitheffing definitief. 

De Belgische exitheffing lijkt veel op de exitheffing in de Nederlandse inkomstenbelasting bij emigratie van een aanmerkelijkbelanghouder met aandelen in box 2. In Nederland wordt hiervoor een zogenoemde conserverende aanslag opgelegd, waarbij eveneens uitstel van betaling wordt verleend. Waar de Nederlandse conserverende aanslag tot 15 september 2015 na verloop van tien jaar na emigratie verviel, is dit tegenwoordig echter niet meer het geval. Sinds die datum vervalt de conserverende aanslag niet meer automatisch door verloop van tijd en blijft de Nederlandse exitheffing definitief verschuldigd.

Waardedalingen na emigratie 

Gerealiseerde minderwaarden zijn in het reguliere Belgische regime onder voorwaarden aftrekbaar. Waardedalingen na emigratie zijn evenwel niet aftrekbaar in het kader van de exitheffing. De realisatie binnen de periode van twee jaar geeft aanleiding tot invordering van de verschuldigde exitheffing, waarbij slechts rekening wordt gehouden met de waarde van de activa op het moment van emigratie. 

Voorbeeld

  • Een Belgisch rijksinwoner koopt op 1 juli 2026 een aandeel ter waarde van € 100. 
  • Op 1 november 2026 verhuist de belastingplichtige naar Nederland en verbreekt daarmee zijn Belgisch fiscaal inwonerschap. Op dat ogenblik is het aandeel € 250 waard. De latente meerwaarde bedraagt bijgevolg € 150. 
  • Na emigratie daalt de waarde van het aandeel en verkoopt de belastingplichtige het vervolgens voor € 180. De daadwerkelijk gerealiseerde meerwaarde bedraagt € 80, maar de belastbare meerwaarde bedraagt evenwel € 150. 

Tijdens de parlementaire behandeling werd deze situatie voorgelegd aan de Belgische Minister van Financiën. Hij verwees daarop naar een nog lopende zaak bij het Europese Hof van Justitie (‘HvJ EU’), met name de Poolse zaak Gena (C-430/25). Volgens de minister hoeft de regering in afwachting van de uitspraak van het HvJ EU nog geen actie te ondernemen, maar zal zij mogelijke wijzigingen bekijken indien de uitspraak daartoe noopt.

Tijdens het parlementaire debat werd evenwel terecht opgemerkt dat er reeds Europese rechtspraak bestaat met betrekking tot deze problematiek, onder meer naar aanleiding van de Nederlandse exitheffing. In het systeem van de Nederlandse conserverende aanslag in box 2 wordt sinds 2005 wel rekening gehouden met latere waardedalingen van de aandelen in de vennootschap nadat de conserverende aanslag is opgelegd. Op verzoek kan daarvoor onder voorwaarden een (gedeeltelijke) kwijtschelding van de op de conserverende aanslag verschuldigde belasting worden verleend.

Hieronder gaan we in op de eerdere jurisprudentie van het HvJ EU en op de vraag of de Belgische exitheffing de Europese toets kan doorstaan.   

Evolutie van de Europese rechtspraak 

2006, Zaak N: waardedalingen kunnen niet worden genegeerd voor natuurlijke personen

In de zaak N (HvJ EU 7 september 2006, C-470/04) onderzocht het HvJ EU de Nederlandse exitheffing in de vorm van een conserverende aanslag voor een natuurlijke persoon die vanuit Nederland emigreerde, in dit geval naar het Verenigd Koninkrijk. Door middel van de conserverende aanslag werd, net zoals in de huidige Belgische variant, de latente meerwaarde op het ogenblik van vertrek belast. Het HvJ EU oordeelde dat het toenmalige stelsel in strijd was met de vrijheid van vestiging, onder meer omdat het Nederlandse regime niet volledig rekening hield met waardedalingen na emigratie, althans wanneer de ontvangende lidstaat de waardedaling niet in aanmerking neemt. 

Het arrest van 2006 werd evenwel sterk genuanceerd door de daaropvolgende uitspraken, te beginnen met National Grid Indus. 

2011, National Grid Indus: een andere uitkomst voor vennootschappen 

Voor een exitheffing bij verplaatsing van vennootschappen kwam het HvJ EU in National Grid Indus (HvJ EU 29 november 2011, C-371/10) tot een ander oordeel. Nadat de vennootschap haar zetel heeft verplaatst, komt het volgens het HvJ EU in beginsel toe aan de ontvangststaat (de staat waar de vennootschap naartoe is verplaatst) om latere waardeveranderingen in zijn belastingstelsel te verwerken, zowel in positieve als in negatieve zin. 

Zelfs wanneer de ontvangststaat een waardedaling niet zou verrekenen, hoeft de vertrekstaat een belastingschuld die bij emigratie definitief werd vastgesteld niet opnieuw te berekenen. Het HvJ EU maakt hier met andere woorden  een onderscheid tussen natuurlijke personen en vennootschappen. Daarbij lijkt het kenmerkend verschilpunt te zijn dat de vennootschap als een dynamisch geheel van winsten en verliezen wordt beschouwd, terwijl voor natuurlijke personen een meer statische interpretatie wordt gehanteerd. 

Het HvJ EU stelt daarnaast dat de berekening van de exitheffing op het moment van vertrek Europeesrechtelijk geen probleem is, maar de onmiddellijke invordering ervan wel. De invordering bij daadwerkelijke realisatie van de meerwaarden zou immers een minder beperkende maatregel zijn die hetzelfde (legitiem) doel nastreeft, aldus het HvJ EU. 

Voor het Belgische regime kunnen louter op basis van National Grid Indus weinig conclusies worden getrokken, omdat het HvJ EU zelf benadrukt dat de situatie verschilt van de zaak N vanwege het verschil in belastingplichtige. 

2016, Commissie-Portugal: geen principieel onderscheid tussen natuurlijke personen en vennootschappen 

In de zaak Commissie-Portugal (HvJ EU 21 december 2016, C-503/14) heeft het HvJ EU de cirkel gesloten en het bovenstaande onderscheid tussen particulieren en vennootschappen in wezen verworpen. Het HvJ EU verwees naar de legitieme doelstelling van een exitheffing over latente meerwaarden, zijnde een evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheden, en oordeelde dat er geen objectieve reden bestaat om natuurlijke personen en rechtspersonen in dat opzicht anders te behandelen. Ook bij natuurlijke personen kan de vertrekstaat de latente meerwaarde vaststellen zonder iedere latere waardedaling te moeten in rekening brengen. 

Het HvJ EU bevestigde in deze zaak tevens zijn eerdere standpunt, dat een onmiddellijke invordering wél te ver gaat, omdat minder beperkende maatregelen hetzelfde doel zouden kunnen bereiken. 

2018, Jacob & Lassus: invordering is niet hetzelfde als heffing 

In Jacob & Lassus (HvJ EU 22 maart 2018, C-327/16 & C-421/16) voegde het HvJ EU een belangrijke nuance toe aan haar eerdere oordeel. Het HvJ EU onderzocht een Franse regeling voor een aandelenruil, waarbij de meerwaarde berekend werd op het moment van de ruil, maar de meerwaarde pas daadwerkelijk belast werd wanneer de verkregen aandelen later werden verkocht. 

Volgens het HvJ EU ging het in de betreffende regeling niet enkel om uitstel van betaling of invordering van een belasting die al definitief verschuldigd was, maar om uitstel van heffing. De belastingheffing zelf werd immers uitgesteld tot op het moment van latere verkoop. Voor inwoners van Frankrijk gold hetzelfde regime: op het moment van de aandelenruil werd de meerwaarde berekend, maar ze werd pas belast wanneer de verkregen aandelen werden verkocht. Inwoners van Frankrijk konden op dat moment eventuele waardeverminderingen verrekenen (de eerder berekende meerwaarde kon worden bijgesteld), wat voor niet-inwoners niet mogelijk was. Daarom oordeelde het HvJ EU dat de Franse regeling in strijd was met de vrijheid van vestiging, en dat ook voor niet-inwoners de latere neerwaartse aanpassing moest worden aanvaard. 

Deze uitkomst verschilt van de uitkomst in de zaak National Grid Indus, aldus het HvJ EU, waar de belastbare meerwaarde definitief werd vastgesteld op het ogenblik van emigratie en louter de invordering (betaling) daarvan werd uitgesteld. Voor de Belgische exitheffing is dit onderscheid essentieel: de belasting wordt bij emigratie immers definitief vastgesteld, alleen de betaling wordt (in de meeste gevallen, doch niet altijd) uitgesteld. Dat lijkt de positie van de Minister van Financiën te ondersteunen, in die zin dat er geen rekening zou moeten worden gehouden met eventuele latere waardedaling. 

Niettemin zaait de parlementaire behandeling op dit punt zelf verwarring. De wetgeving zelf spreekt duidelijk van een fictieve realisatie en principiële heffing op het moment van emigratie met een louter uitstel van betaling. In de parlementaire behandeling daarentegen wordt aangegeven dat er dienovereenkomstig “melding moet worden gemaakt van de activa die het voorwerp uitmaken van de exitheffing” in de aangifte ‘speciaal’ (aangifte bij emigratie). Het uitsluitend melden van de activa lijkt echter onvoldoende om de exitheffing te kunnen berekenen. Vermoedelijk gaat het hier eerder om een gebrekkige formulering, maar aangezien er tot op het moment van dit schrijven nog geen duidelijke toelichting op de rapporteringsvereisten beschikbaar is, blijft het voorlopig wachten op een nadere toelichting. 

De aanhangige zaak Gena (C-430/25)

Zoals reeds aangehaald, verwees de Minister van Financiën tijdens de parlementaire behandeling naar de aanhangige zaak Gena (C-430/25), waarin prejudiciële vragen zijn gesteld aan het HvJ EU door een bestuurlijke rechtbank in Warschau omtrent de Poolse exitheffing ten laste van natuurlijke personen. De rechtsvragen die daar zijn gesteld dekken evenwel niet dezelfde lading. 

De rechtsvraag waarnaar de minister verwijst, ziet op de vraag of het toelaatbaar is dat in de Poolse regeling latente meerwaarden worden belast, zonder daarbij rekening te houden met latente minderwaarden. Met andere woorden: mag Polen enkel kijken naar activa die in waarde zijn gestegen, zonder rekening te houden met activa die in waarde zijn gedaald. Het gaat daar dus om andere activa, terwijl de vraag die zich in België stelt, gaat over een waardedaling na emigratie van dezelfde activa. 

Hoewel de antwoorden in de zaak Gena eveneens interessant zullen zijn voor het globale Belgische regime, lijkt de kans klein dat het HvJ EU in die zaak de vraag over waardedalingen na emigratie zal beantwoorden. Wij blijven de ontwikkelingen uiteraard volgen.

Kyrill Maes, Sarah De Wilde, Carolien Van Echelpoel en Paul te Boekhorst

Naar boven

6. Nieuwe Nederlandse regels voor zelfstandigen op komst

In de maart 2026-editie van deze nieuwsbrief besteedden wij aandacht aan de plannen van het kabinet om meer duidelijkheid te creëren over de kwalificatie van arbeidsrelaties. Op 1 oktober 2026 is een consultatievoorstel van de Nederlandse Zelfstandigenwet opengesteld voor internetconsultatie. 

Het voorstel introduceert een nieuw toetsingskader om vooraf meer duidelijkheid te bieden over de vraag of iemand als zelfstandige kan werken. Dit is ook relevant voor Belgische opdrachtgevers, zelfstandigen en intermediairs die in Nederland actief zijn. Omdat het om een consultatievoorstel gaat, kunnen de daadwerkelijke regels nog wijzigen. 

Wanneer biedt het voorstel vooraf duidelijkheid?

Het voorstel bevat een zogenoemde ‘veilige haven’ voor het ontbreken van een dienstbetrekking tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers. Hiervoor introduceert de Zelfstandigenwet twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Als aan beide toetsen wordt voldaan, staat vast dat geen sprake is van een ’gezagsrelatie’. Daarmee ontbreekt een belangrijk kenmerk van een civielrechtelijke dienstbetrekking en is evenmin sprake van een dienstbetrekking voor de Nederlandse belastingheffing.

Zelfstandigentoets

Onder de zelfstandigentoets, die ziet op de zelfstandige zelf, moet de zelfstandige aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • in het lopende en voorafgaande kalenderjaar voor minimaal drie verschillende opdrachtgevers werken;
  • een minimumbedrag besteden aan voorzieningen die passen bij zelfstandig ondernemerschap, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering of pensioenvoorziening;
  • basisvoorwaarden nakomen voor zelfstandig ondernemerschap, zoals registratie in een handelsregister, een actief btw-nummer, een zakelijke bankrekening, eigen betalingstermijnen en het dragen van debiteurenrisico.

De criteria zijn zo opgesteld dat ook buiten Nederland gevestigde zelfstandigen daaraan kunnen voldoen.

Werkrelatietoets

Voor de werkrelatietoets, die gaat over de specifieke arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en zelfstandige, moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan:

  • Partijen willen buiten dienstbetrekking samenwerken.
  • De zelfstandige kan de werkzaamheden zelf organiseren.
  • De zelfstandige kan, voor zover het werk dat toelaat, zelf de werkplek en werktijden bepalen.
  • De werkzaamheden worden voor eigen rekening en risico verricht. Daarbij tellen onder meer de verantwoordelijkheid voor het resultaat, aansprakelijkheid, financiële risico’s en de mogelijkheid om economisch voordeel te behalen mee.

Geen automatische arbeidsovereenkomst

Als niet aan een of beide toetsen wordt voldaan, ontstaat niet automatisch een civielrechtelijke dienstbetrekking tussen de opdrachtgever en opdrachtnemer. De arbeidsrelatie wordt dan alsnog beoordeeld op basis van de bestaande Nederlandse wet- en regelgeving en rechtspraak. Daarbij worden alle feiten en omstandigheden in samenhang bekeken (‘holistische benadering’). Het voorstel vervangt deze beoordeling niet, maar voegt een toetsingskader toe dat partijen vooraf mogelijk meer zekerheid biedt.

Wanneer gaan de regels gelden?

De Zelfstandigenwet is beoogd om op 1 januari 2028 in werking te treden. De inhoud kan tijdens het wetgevingsproces uiteraard nog wijzigen. 

Vanaf 1 januari 2027 kunnen werkenden op basis van een al eerder aangenomen wetswijziging bij een uurtarief tot de wettelijke grens (vooralsnog € 38) al wel een beroep doen op het rechtsvermoeden dat zij werken op basis van een arbeidsovereenkomst. De opdrachtgever moet bij een uurtarief onder dit bedrag dan aantonen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.

Omdat de internetconsultatie nog loopt en het wetsvoorstel tijdens het wetgevingsproces kan wijzigen, is het verstandig de ontwikkelingen nauwlettend te volgen. Dit geldt in het bijzonder voor Belgische opdrachtgevers en zelfstandigen die werkzaamheden in Nederland (gaan) verrichten.

Esther Hoppenbrouwers, Esmiralda Pasma en Tessa Kross

Naar boven

7. België introduceert nieuw kader voor grensarbeiders: nieuwe formaliteiten voor derdelanders

Met ingang van 15 augustus 2026 heeft België een nieuw wettelijk kader ingevoerd voor grensarbeiders. De regels zijn relevant voor personen die buiten België blijven wonen, regelmatig in België werken en in principe dagelijks, maar minstens wekelijks, naar hun woonland terugkeren.

Voor werkgevers met grensoverschrijdende activiteiten tussen België en Nederland veranderen vooral de formaliteiten voor derdelanders die in Nederland wonen.

Nieuwe regels per categorie

Voor onderdanen van de Europese Unie (EU), de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland is de verplichting om het specifieke document voor grensarbeiders (‘bijlage 15’) aan te vragen afgeschaft. Een geldig identiteitsbewijs of paspoort volstaat voortaan. Bestaande bijlage 15-documenten kunnen zonder bijkomende formaliteiten worden uitgefaseerd.

Derdelanders die in Nederland of een ander aan België grenzend EU-land wonen, moeten voortaan binnen acht dagen na hun eerste binnenkomst een zogenoemde bijlage 64 aanvragen bij de Belgische gemeente waar zij gewoonlijk werken. De bijlage 64 is maximaal één jaar geldig en kan worden verlengd. Voor bestaande bijlage 15-documenten geldt een overgangsperiode van twaalf maanden.

Derdelanders die in het Verenigd Koninkrijk wonen, moeten een ‘visum D B63 - Frontier Worker’ aanvragen bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire post. Voor deze groep geldt geen overgangsperiode, waardoor bestaande dossiers met voorrang moeten worden beoordeeld.

De bijlage 64 en het visum D B63 verlenen uitsluitend een recht op in- en uitreis. Zij geven geen verblijfsrecht in België en vervangen, waar nodig, geen vereiste Belgische werkvergunning, zoals een arbeidskaart, gecombineerde vergunning of beroepskaart.

Gevolgen voor de praktijk

Werkgevers doen er goed aan om:

  • de betrokken grensarbeiders en hun nationaliteit, hoofdverblijfplaats en huidige documenten in kaart te brengen;
  • te bepalen of een bijlage 64, een visum D B63 of geen afzonderlijk grensarbeidersdocument vereist is;
  • bestaande bijlage 15-documenten tijdig om te zetten waar nodig;
  • de nieuwe regels op te nemen in rekruterings-, onboarding-, detacherings- en verlengingsprocessen.

Een tijdige beoordeling helpt problemen bij reizen, onboarding en de voortzetting van de werkzaamheden te voorkomen.

Hebt u vragen over de toepassing van het nieuwe grensarbeiderskader of de vereiste immigratie- en werkvergunningen? Neem dan contact met ons op. Wij helpen u graag verder.

Jeroen Vandenbossche

Naar boven

8. Nederlands kennisgroepstandpunt: geen hypotheek vereist voor aftrek voorkoming dubbele belasting bij Belgisch vastgoed

De Nederlandse Belastingdienst heeft recent een kennisgroepstandpunt gepubliceerd over de berekening van de voorkoming van dubbele belasting onder het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België uit 2001. 

Aanleiding voor het standpunt is een situatie waarin een inwoner van Nederland een Belgische onroerende zaak bezit die tot het box 3-vermogen behoort. De aankoop van de Belgische onroerende zaak is gefinancierd met een lening. Als zekerheid voor die lening is echter geen hypotheekrecht gevestigd op de onroerende zaak, maar is een effectenportefeuille gebruikt als onderpand.

Voor de kennisgroep lag de vraag of een hypotheekrecht vereist is om bij de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting bij onroerende zaken gelegen in België rekening te kunnen houden met schulden. 

Achtergrond

Een inwoner van Nederland wordt in Nederland belast over zijn wereldinkomen. Als een inwoner van Nederland onroerend goed bezit in België, wordt ook dit vastgoed dus in de Nederlandse belastingheffing betrokken. Zoals wij in de juli 2026-editie van deze nieuwsbrief bespraken, wordt in België gelegen vastgoed ook in België belast. Om dubbele belastingheffing te voorkomen, regelt het belastingverdrag de toewijzing van het heffingsrecht over de onroerende zaak. 

Het huidige belastingverdrag wijst het heffingsrecht over inkomsten uit onroerende zaken toe aan de staat waarin de onroerende zaken zijn gelegen. Ook voordelen die worden verkregen uit de vervreemding van onroerende zaken mogen in de staat waarin de onroerende zaken zijn gelegen worden belast. Aangezien de onroerende zaak in België is gelegen, is België op basis van het verdrag heffingsbevoegd. Nederland moet dus aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen. 

De vraag die aan de kennisgroep is voorgelegd, is of Nederland, ter voorkoming van dubbele belasting, de waarde van de onroerende zaak in aanmerking dient te nemen (brutomethode) of de waarde van de onroerende zaak verminderd met de schulden (nettomethode). Meer specifiek ging het om de vraag of een schuld die is aangegaan voor een in België gelegen onroerende zaak ook mag worden meegenomen voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting als geen hypotheekrecht op die onroerende zaak is gevestigd.

Kennisgroepstandpunt

De kennisgroep van de Belastingdienst is van mening dat voorkoming van dubbele belasting voor buitenlandse onroerende zaken op een nettobasis wordt verleend. Dit betekent dat voorkoming wordt verleend voor de waarde van de onroerende zaak verminderd met daarmee verband houdende financiering. Volgens de kennisgroep wordt het ‘verband’ bepaald door het bestedingsdoel en de economische samenhang tussen de schuld en het vermogensbestanddeel. Het ontbreken van een hypotheekrecht staat daarom niet in de weg aan het meenemen van de schuld bij de berekening.

De aanleiding voor deze vraag ligt in een bijzondere protocolbepaling bij het huidige belastingverdrag. Daarin wordt namelijk de indruk gewekt dat alleen schulden waarvoor een hypotheekrecht is gevestigd in aanmerking komen bij de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. 

Volgens de kennisgroep is deze bepaling echter uitsluitend geschreven voor situaties waarin sprake is van een vermogensbelasting. Aangezien zowel Nederland als België momenteel geen vermogensbelasting kennen, heeft deze bepaling volgens de kennisgroep geen praktisch belang.

Onder het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België uit 2023 lijkt het kennisgroepstandpunt geen rol meer te spelen. De protocolbepaling die aanleiding gaf tot de onduidelijkheid over schulden zonder hypotheekrecht is namelijk niet teruggekeerd in het protocol bij het nieuwe verdrag. Het blijft wel nog afwachten wanneer het nieuwe verdrag daadwerkelijk in werking zal treden. Wij zullen de verdere ontwikkelingen op dit punt blijven volgen.

Ilse Janssen en Miguel Ikpia

Naar boven

9. Hof van Beroep Antwerpen: fiscale boetes vervallen bij overlijden

In een opmerkelijk arrest van 30 april 2024 heeft het Hof van Beroep te Antwerpen zich uitgesproken over de vraag of een Belgische administratieve geldboete wegens het niet naleven van de meldingsplicht voor een buitenlandse juridische constructie nog kan worden ingevorderd bij de erfgenamen van een overleden belastingplichtige.

Binnen het kader van de Belgische Kaaimantaks moeten belastingplichtigen die optreden als (mede)oprichter, derde-begunstigde of aandeelhouder van een juridische constructie verplicht het bestaan daarvan jaarlijks te vermelden in hun aangifte personenbelasting. Onder dergelijke constructies vallen onder meer een Luxemburgse Société de Gestion de Patrimoine Familial (SPF), een trust of een laagbelaste buitenlandse vennootschap.

Het niet naleven van deze meldingsplicht kan aanleiding geven tot een administratieve geldboete van € 6.250 per niet-gemelde juridische constructie en per aanslagjaar.

De feiten

De betrokken belastingplichtige had in haar aangifte personenbelasting voor aanslagjaar 2017 geen melding gemaakt van twee Luxemburgse SPF-structuren, hoewel zij daartoe wettelijk verplicht was. Naar aanleiding van een fiscale controle werden twee administratieve geldboetes van telkens € 6.250 opgelegd.

De belastingplichtige betwistte deze boetes, maar overleed tijdens de procedure. Haar erfgenamen zetten de procedure verder en voerden aan dat dergelijke boetes een persoonlijk bestraffend karakter hebben en daarom niet op hen kunnen worden verhaald.

Strafrechtelijk karakter van de administratieve boete

Een centrale vraag was of de administratieve geldboete louter een fiscale maatregel vormt dan wel een strafrechtelijk karakter heeft. Het Hof van Beroep bevestigt dat, in lijn met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, deze boete een bestraffend en afschrikkend doel nastreeft en daarom als een strafrechtelijke sanctie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) moet worden beschouwd.

Daaruit volgt dat fundamentele strafrechtelijke beginselen van toepassing zijn, waaronder het persoonlijk karakter van de straf. Een sanctie kan in principe enkel worden opgelegd aan de persoon die de inbreuk heeft begaan.

Gevolgen voor de erfgenamen

Hoewel de boetes tijdens het leven van de belastingplichtige rechtsgeldig werden opgelegd, oordeelde het hof dat deze na haar overlijden niet langer op de erfgenamen kunnen worden verhaald.

Volgens het hof zou de invordering van dergelijke sancties bij de erfgenamen neerkomen op een bestraffing van personen die zelf geen inbreuk hebben gepleegd. Onder verwijzing naar de rechtspraak van zowel het Grondwettelijk Hof als het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bevestigt het hof dat strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel een strikt persoonlijk karakter heeft en eindigt bij het overlijden van de overtreder.

Het feit dat de boetes reeds voor het overlijden waren opgelegd, verandert volgens het hof niets aan die conclusie.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Dit arrest biedt belangrijke rechtszekerheid voor erfgenamen die worden geconfronteerd met fiscale administratieve geldboetes die waren opgelegd aan een inmiddels overleden belastingplichtige.

Het Hof van Beroep bevestigt dat administratieve fiscale boetes met een repressief en strafrechtelijk karakter in beginsel niet via het passief van de nalatenschap op de erfgenamen kunnen worden verhaald. Daarmee onderstreept het hof dat dergelijke boetes een persoonlijk karakter hebben en niet automatisch overgaan op de erfgenamen.

Ook in Nederland geldt dat fiscale boetes een persoonlijk karakter hebben. Op grond van artikel 5:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervalt een bestuurlijke boete wanneer deze op het moment van overlijden nog niet onherroepelijk vaststaat. Zelfs wanneer de boete al onherroepelijk is geworden, vervalt zij voor zover deze ten tijde van het overlijden nog niet is betaald. Erfgenamen kunnen in Nederland dus in beginsel niet worden aangesproken voor nog openstaande fiscale boetes van de overledene.

Voor de praktijk onderstreept dit arrest het belang om bij de afwikkeling van een nalatenschap niet alleen de fiscale schulden, maar ook de aard ervan zorgvuldig te analyseren.

Voor verdere toelichting over dit arrest of de mogelijke gevolgen ervan voor uw dossiers of vermogensplanning, kunt u steeds terecht bij uw vertrouwde KPMG-adviseur. Wij helpen u graag verder.

Elin Vandeputte, Dorien Christiaen en Miguel Ikpia

Naar boven

© 2026 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.