Stand van zaken nieuwe box 3-stelsel na plenaire behandeling in de Eerste Kamer
Op 30 juni 2026 heeft de Eerste Kamer plenair gediscussieerd over het voorgestelde nieuwe box 3-stelsel, dat vanaf 2028 zou moeten ingaan en het huidige stelsel zou moeten vervangen: de Wet werkelijk rendement box 3 (WWR). Zie ook onze eerdere berichtgeving over dit wetsvoorstel in januari 2025 (brief over de door het kabinet bekeken alternatieven), mei 2025 (kabinet stuurt het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer) en februari 2026 (Tweede Kamer neemt het wetsvoorstel aan). Duidelijk is dat de regeringspartijen in de Eerste Kamer moeite hebben met de vermogensaanwasbelasting die deel uitmaakt van het nieuwe regime. Daarom wil de Eerste Kamer de door het kabinet in een novelle op te nemen aanpassingen afwachten, en pas dit najaar beslissen. Veel Eerste Kamerleden willen dat het wetsvoorstel sowieso wordt ingetrokken, waardoor het huidige regime zou blijven gelden totdat een volledige vermogenswinstbelasting kan worden ingevoerd. Tijdens de plenaire behandeling zijn vier moties voorgesteld. De Eerste Kamer zal op 7 juli 2026 wel over die moties stemmen. In dit nieuwsbericht geven we de laatste stand van zaken weer ten aanzien van het nieuwe box 3-stelsel.
Het geldende duale stelsel
Het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel WWR moet het huidige duale stelsel vervangen. In dat stelsel wordt de heffing in box 3 als hoofdregel berekend aan de hand van forfaitaire percentages. De Hoge Raad heeft geoordeeld in het zogenoemde Kerstarrest dat dit forfaitaire stelsel in strijd is met het Europees Verdrag van de rechten van de mens. Naar aanleiding van dat arrest wordt een belastingplichtige die aannemelijk maakt dat zijn werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement, belast voor dat lagere rendement. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat bij het bepalen van het werkelijke rendement in het kader van dit ‘rechtsherstel’ in principe geen kosten in aftrek komen (alleen financieringskosten). Eenvoudig gezegd gaat het er dus om of de bruto-inkomsten lager zijn dan de forfaitair berekende inkomsten.
Dit regime geldt inmiddels ruim drie jaar, waarbij in de periode 2017-2022 zelfs drie systemen naast elkaar golden. De mogelijkheid om tegenbewijs te leveren is voor de Belastingdienst bewerkelijk en kost de schatkist volgens de staatssecretaris jaarlijks € 2,4 miljard aan belastingopbrengst.
Het nieuwe regime
Vanaf 2028 zou box 3 volgens het nu bij de Eerste Kamer aanhangige voorstel bestaan uit een heffing over werkelijke vermogensinkomsten. Er wordt dan geheven over de werkelijke inkomsten en vermogenswinsten. Ook zijn kosten aftrekbaar. Ten aanzien van de vermogenswinst geldt dat in beginsel jaarlijks ook wordt geheven over niet-gerealiseerde vermogenswinst (vermogensaanwas). Slechts voor onroerende zaken en aandelen of winstbewijzen in startups en scale-ups geldt dat pas belasting hoeft te worden betaald bij realisatie (vermogenswinst). In de Eerste Kamer en samenleving bestaat veel weerstand tegen het belasten van ongerealiseerde waardestijgingen (de zogenoemde ‘papieren winst’). De Eerste Kamer vreest dat sommige belastingplichtigen daardoor in betalingsproblemen kunnen komen als geen middelen beschikbaar zijn om de belasting over deze ‘papieren winst’ te voldoen. Staatssecretaris van Financiën Eerenberg gaf aan dat dat in de praktijk nauwelijks een probleem zal zijn; slechts bij 0,4% van de belastingplichtigen in box 3. Hoe het ook zij, dat nadeel kent de vermogenswinstbelasting niet.
Volledige vermogenswinstbelasting
Op aandringen van de Eerste Kamer onderzoekt het kabinet nu de mogelijkheid van een doorontwikkeling van het hybride stelsel van zowel een vermogensaanwas- als een vermogenswinstbelasting naar een volledige vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen. Tijdens de plenaire behandeling is uitgebreid gediscussieerd over een belangrijk nadeel van de vermogenswinstbelasting. Belastingplichtigen hebben dan de mogelijkheid om heffing uit te stellen door vermogensbestanddelen (de daarin besloten winsten) niet te realiseren. Dat lock-in effect kan ertoe leiden dat belastingopbrengsten in de eerste jaren na invoering tegenvallen. Staatssecretaris Eerenberg heeft opgemerkt dat bij de introductie van een vermogenswinstbelasting ook flankerende maatregelen worden onderzocht om dit effect tegen te gaan, zonder concreet te worden overigens. Maar van de zijde van de Tweede Kamer zijn er wel suggesties genoemd, zoals het invoeren van een progressief tarief, een voorheffing, tarieven beter op elkaar afstemmen, voorkomen dat vermogen naar box 2 verschuift en het (standaard) box 2-regime limiteren tot echte ondernemingen. Een volledige vermogenswinstbelasting is bovendien niet automatisch eenvoudiger. Belastingplichtigen moeten dan de verkrijgingsprijs of boekwaarde van hun vermogen kunnen vaststellen en bijhouden. Ook voor ketenpartners, zoals banken, kan het aanleveren van de benodigde gegevens aan de Belastingdienst complexer worden.
Staatssecretaris Eerenberg heeft nog geen precies tijdpad genoemd voor de doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting maar noemde wel een periode van ten minste nog vier à vijf jaar. Volgens recente berichtgeving zou het de schatkist € 22 miljard kosten als het huidige wetsvoorstel WWR niet doorgaat en pas in 2032 een volledige vermogenswinstbelasting zou worden ingevoerd. De staatssecretaris ziet de WWR als een tussenstap naar de invoering van een vermogenswinstbelasting. Ook zei hij dat bij de invoering van een volledige vermogenswinstbelasting nog een paar flinke politieke debatten gevoerd moeten worden over de condities.
Aanpassingen
Al in de aanloop naar de plenaire behandeling bleek dat de Eerste Kamer moeite heeft met de vermogensaanwasheffing. Op 19 juni 2026 stuurde staatssecretaris Eerenberg daarom een ‘menukaart’ aan de Eerste Kamer met opties om de WWR aan te passen. Welke daarvan in de aangekondigde novelle terecht zullen komen, is nog niet duidelijk. Van de hieronder opgenomen lijst lijken de introductie van een achterwaartse verliesverrekening van een jaar en een doorschuifregeling bij huwelijk en echtscheiding het meest concreet. Andere onderdelen worden nog onderzocht en hangen mede af van budgettaire dekking en uitvoerbaarheid. Het gaat om de volgende opties:
- Invoering van de mogelijkheid van achterwaartse verliesverrekening van één jaar.
- Invoering van een doorschuifregeling bij huwelijk en echtscheiding.
- Aanpassingen voor groen beleggen.
- Aanpassingen voor startups en scale-ups.
- Aanpassing van het tarief en het heffingsvrije resultaat.
- Aanpassingen voor NSW-landgoederen.
- Herintroductie partiële buitenlandse belastingplicht.
- Introductie van een zogenoemde ‘Win-winlening’ naar Vlaams model
Achterwaartse verliesverrekening
Het wetsvoorstel dat nu bij de Eerste Kamer ligt, kent al de mogelijkheid van een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening, maar nog geen achterwaartse verliesverrekening. Dat heeft als nadeel dat een belastingplichtige die bijvoorbeeld in 2028 een grote (papieren) winst behaalt op zijn beleggingen en in 2029 een even groot (papieren) verlies lijdt, toch in 2028 al direct inkomstenbelasting moet betalen over de waardeaangroei in dat jaar. Dit terwijl er over de periode van twee jaren bezien, geen sprake is van winst of verlies. Weliswaar is voorwaartse verliesverrekening mogelijk, maar het is onzeker of in de toekomst voldoende positief inkomen in box 3 wordt behaald om het verlies te verrekenen. Vooral bij sterk fluctuerende rendementen kan de introductie van achterwaartse verliesverrekening soelaas bieden. Volgens de staatssecretaris kan de Belastingdienst momenteel de invoering van achterwaartse verliesverrekening van één jaar per 2029 aan, mits er verder geen andere aanpassingen worden doorgevoerd.
Doorschuifregeling bij huwelijk en echtscheiding
In de vermogenswinstbelasting – voor onroerende zaken en aandelen of winstbewijzen in startende ondernemingen – is bepaald dat niet alleen bij daadwerkelijke verkoop over de meerwaarde moet worden afgerekend, maar ook op alle andere momenten waarop het desbetreffende vermogensbestanddeel (gedeeltelijk) uit het box 3-vermogen van de belastingplichtige verdwijnt. Dat geldt bijvoorbeeld bij een huwelijk, als een vakantiewoning in box 3 tot een gemeenschap van goederen gaat behoren. Ook bij echtscheiding kan dat het geval zijn, als de vakantiewoning door één van beide voormalige echtgenoten wordt overgenomen. In dergelijke situaties zou dus bij deze life events ook inkomstenbelasting in box 3 moeten worden betaald over mogelijk aanzienlijke waardestijgingen, terwijl er niet in alle gevallen feitelijk een opbrengst wordt gerealiseerd.
Mogelijk wordt dus een doorschuifregeling bij huwelijk en echtscheiding in de novelle opgenomen. Hoe deze regeling exact zal worden vormgegeven en aan welke voorwaarden moet worden voldaan, is op dit moment nog niet duidelijk. Wij merken op dat er ook andere situaties zijn waarin afrekening over meerwaarden kan optreden, zoals bij schenking, inbreng in een bv, emigratie en overlijden. Vooralsnog zullen daar geen doorschuifregelingen voor gelden.
Aanpassing voor groen beleggen
Mogelijk komt er nog een aanpassing om de fiscale stimulering van groen beleggen ook in het nieuwe box 3-stelsel te behouden, bijvoorbeeld via een heffingskorting.
Aanpassing voor startups en scale-ups
Het kabinet wil investeringen in startende ondernemingen niet fiscaal ontmoedigen, met het oog op het behoud van innovatiekracht en het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Daarom zijn aandelen en winstbewijzen in dergelijke ondernemingen ondergebracht in de vermogenswinstbelasting en niet in de vermogensaanwasbelasting.
De bestaande conceptwettekst van de WWR bevat al een definitie van startende onderneming, maar die definitie is vrij rigide. Zo mag een startende onderneming onder meer niet ouder zijn dan vijf jaar en mag zij een maximale omzet van € 30 miljoen hebben. Zodra een onderneming niet meer aan de voorwaarden voldoet, gaat het aandelenbelang over naar de vermogensaanwasbelasting. Dat kan ertoe leiden dat tussentijds belasting moet worden betaald over een waardestijging die nog niet is gerealiseerd.
In een aangepaste definitie zouden harde grenzen, zoals bestaansduur en omzet, worden vervangen door een inhoudelijke toets op innovatie en schaalbaarheid. Daardoor zouden meer echte startups en scale-ups onder de vermogenswinstbelasting kunnen vallen. Het kabinet heeft hierover in het voorjaar van 2026 al een internetconsultatie afgerond. Het formele wetsvoorstel wordt zoals het nu uitziet op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer aangeboden als onderdeel van het pakket Belastingplan 2027. Tijdens de plenaire behandeling merkte de staatssecretaris op dat de kwalificatie als start-up of scale-up door RVO bij beschikking voor acht jaar zou gaan gelden, en voor nog eens maximaal 15 jaar zou kunnen worden verlengd.
Tarief en heffingsvrij resultaat
In het wetsvoorstel zoals dat nu bij de Eerste Kamer ligt, stelt het kabinet een tarief van 36% voor en een heffingsvrij resultaat van € 1.800 per belastingplichtige. Voor fiscale partners is dat € 3.600. Mogelijk wordt in de novelle een tarief van 35% voorgesteld en een heffingsvrij resultaat van € 1.900 per belastingplichtige (€ 3.800 voor partners).
NSW-landgoederen
Een andere mogelijke aanpassing betreft opstallen op landgoederen die zijn gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928 (NSW). De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen waarin het kabinet wordt verzocht om een regeling uit te werken zodat bij vererving of schenking de (papieren) waardestijging van opstallen op NSW-landgoederen niet wordt belast. De brief van 19 juni noemt als mogelijkheid het uitbreiden van de bestaande vrijstelling voor NSW-landgoederen door de uitzondering voor gebouwde eigendommen te laten vervallen. Een alternatief is de introductie van een doorschuifregeling voor vermogenswinst bij vererving en schenking.
Partiële buitenlandse belastingplicht
Werknemers die onder de expatregeling vielen, konden tot 1 januari 2025 ook gebruik maken van de mogelijkheid om voor box 3 als buitenlands belastingplichtige te worden aangemerkt. Hierdoor werd feitelijk alleen in Nederland gelegen onroerende zaken in de heffing betrokken. De partiële buitenlandse belastingplichtig is echter bij de behandeling van het Belastingplan 2024 per amendement afgeschaft. In de brief van 19 juni noemt staatssecretaris Eerenberg de mogelijkheid om de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht opnieuw in te voeren.
Win-winlening
Staatssecretaris Eerenberg onderzoekt ook de mogelijkheid van een fiscale stimuleringsregeling voor particulieren die leningen verstrekken aan MKB-ondernemingen. Daarbij wordt er gekeken naar het voorbeeld van de Vlaamse Win-winlening. In de kern betreft dat een fiscale faciliteit voor achtergestelde leningen die worden gebruikt voor bedrijfs- of beroepsactiviteiten.
Hoe nu verder
Omdat de Kamers begin juli met zomerreces gaan, zijn de komende tijd vermoedelijk geen belangrijke parlementaire ontwikkelingen te verwachten met betrekking tot het nieuwe box 3-regime. Zoals elk jaar vindt in augustus de laatste besluitvorming plaats over de inhoud van het Belastingplan en de andere fiscale wetsvoorstellen die op Prinsjesdag aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Voor de WWR betekent dit dat dan wordt bepaald welke onderzochte aanpassingen daadwerkelijk in de novelle worden opgenomen. Na Prinsjesdag weten we waarschijnlijk meer over de toekomst van de Wet werkelijk rendement box 3, de inhoud van de novelle, de toegezegde onderzoeken en de mogelijke doorontwikkeling naar een volledige vermogenswinstbelasting op langere termijn.
Wil je meer weten, neem dan gerust contact op met ons of met je gebruikelijke Meijburgadviseur.