Verdragsrechtelijke interpretatie voordelen uit onmiddellijk gehouden lucratief belang

2 februari 2026
Verdragsrechtelijke interpretatie voordelen uit onmiddellijk gehouden lucratief belang

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 28 januari 2026 een belangrijke uitspraak gedaan in een door KPMG Meijburg & Co gevoerde procedure (uitspraak is nog niet gepubliceerd). De zaak gaat over een in Duitsland woonachtige natuurlijk persoon met een lucratief belang in een Nederlandse vennootschap in de vorm van (certificaten van) aandelen. De natuurlijk persoon had in 2018 inkomen verworven uit dit lucratief belang in de vorm van dividenden en een vervreemdingswinst. Net als de rechtbank oordeelt nu ook het gerechtshof dat Nederland slechts beperkt belasting mag heffen over deze inkomsten, omdat het inkomen niet onder het werknemersartikel (zoals de inspecteur betoogde), maar onder het dividend- onderscheidenlijk vervreemdingswinstartikel van het belastingverdrag valt (zoals belanghebbende betoogde). 

Feiten, geschil en opvattingen partijen 

In de zaak stond vast dat belanghebbende in Duitsland woonde en dat de door hem gehouden (certificaten van) aandelen een lucratief belang vormden. In 2018 ontving belanghebbende ter zake van dit lucratieve belang een bedrag aan dividend (waarop 15% dividendbelasting was ingehouden) en hij behaalde daarnaast ook een vervreemdingswinst. 

Belanghebbende en de Belastingdienst verschilden van mening onder welk verdragsartikel dit inkomen valt. De inspecteur verdedigde de opvatting dat de inkomsten in hun geheel vielen onder het verdragsartikel dat ziet op inkomen uit ‘onzelfstandige arbeid’ (werknemersartikel), zodat Nederland belasting mocht heffen over een groot deel van dit inkomen. Volgens de inspecteur was dit verdragsartikel van toepassing gelet op de doelstelling van de lucratiefbelangregeling en omdat dit de ‘ware aard’ van het inkomen is, namelijk een beloning voor de in dienstbetrekking verrichte arbeid. 

Belanghebbende betoogde dat het inkomen onder het dividendartikel viel (voor zover het ging om de dividenden) en het onder het vermogenswinstartikel (voor zover het ging om de vervreemdingswinst), zodat Nederland slechts 15% belasting mocht heffen over het dividend. Volgens belanghebbende stond de nationaalrechtelijke rangorderegeling niet toe dat het inkomen op grond van de ‘ware aard’-redenering onder het werknemersartikel zou worden geschaard. De ware aard is volgens belanghebbende inkomsten uit aandelen en een resultaat behaald met de vervreemding van de (certificaten van) aandelen. 

Beslissing 

Rechtbank Zeeland-West Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2024:1503) had eerder beslist dat het dividend onder het dividendartikel en het vervreemdingsvoordeel onder het vermogenswinstartikel van het belastingverdrag viel. Volgens de rechtbank was het inkomen verdragsrechtelijk geen inkomsten uit onzelfstandige arbeid. Nederland had daarom slechts een beperkte heffingsbevoegdheid. Het hof heeft deze beslissing nu overgenomen. 

Onderbouwing 

Het hof volgt de rechtbank in haar overwegingen dat: 

  • Het dividend binnen de verdragsdefinitie van dividenden valt. Uit niets blijkt verder dat dit niet zou gelden voor dividenden die voortvloeien uit aandelen die behoren tot een lucratief belang. Het dividendartikel uit het verdrag is daarom van toepassing.
  • De vervreemdingsvoordelen onder het vermogenswinstartikel van het verdrag vallen, des te meer nu dit ook volgt uit het OESO-commentaar.
  • Het onzelfstandige arbeidsartikel van het verdrag niet (ook) van toepassing is. De in dat verband relevante begrippen ‘salarissen, lonen en andere soortgelijke beloningen’ zijn namelijk niet gedefinieerd in het belastingverdrag noch in de toelichting. Daarom is relevant wat de inkomsten naar Nederlands recht zijn. Naar Nederlands recht zijn de inkomsten resultaat uit overige werkzaamheden. De wetgever heeft er welbewust voor gekozen om het lucratiefbelanginkomen geen onderdeel te laten zijn van het arbeidsinkomen c.q. het loonbegrip. Ook langs deze lijn is dus geen sprake van arbeidsinkomen. Het betoog van de inspecteur dat de context een andere uitlegging vereist, omdat het genoten inkomen naar ‘haar ware aard’ arbeidsinkomen betreft, wordt evenmin gevolgd; mede met het oog op de goede verdragstrouw. Dit zou namelijk in wezen een fictie in het leven roepen. Bovendien is bij de totstandkoming van het verdrag geen specifieke aandacht besteed aan lucratieve belangen, waardoor niet valt in te zien hoe de context van het verdrag dan een andere uitleg vereist dan een uitlegging die aansluit bij de verschijningsvormen van het genoten inkomen, te weten: dividend en vervreemdingswinst. 

Specifiek voor het hof brengt de inspecteur nog het navolgende argument naar voren, maar ook dat argument wordt niet gevolgd door het hof. 

  • Onder verwijzing naar specifieke passages in het OESO-commentaar, in het bijzonder onderdeel 12.2 van het OESO-commentaar op artikel 15, betoogt de inspecteur dat het lucratief belang wel degelijk arbeidsinkomen betreft voor verdragsdoeleinden. Daarin staat namelijk dat het arbeidsartikel van toepassing is op aandelenopties die door een werkgever zijn verstrekt. Volgens het hof blijkt uit datzelfde commentaar echter ook dat het arbeidsartikel niet langer van toepassing is, nádat de aandelenopties zijn uitgeoefend of vervreemd. De daarna optredende waardestijging van de aandelen valt onder het vermogenswinstartikel, aldus het commentaar. Belanghebbende was al lang voor 2018 niet (langer) optiehouder, maar onherroepelijk houder van (certificaten van) aandelen. Daarom is, aldus het hof, op belanghebbende het vermogenswinstartikel van toepassing, zowel op grond van het verdrag als op grond van het OESO-commentaar. Het hof ontleent bevestiging van deze opvatting aan het Besluit Lucratief belang in internationale situaties. Daarin staat dat als een belastingplichtige zijn lucratief belang indirect houdt via een houdstervennootschap, de alsdan (doorgestoten) lucratieve voordelen vallen onder het dividendartikel dan wel het vermogenswinstartikel. Desgevraagd verklaarde de inspecteur dat in die gevallen het arbeidskarakter verdragsrechtelijk niet voorgaat op het beleggingskarakter. Het hof vindt deze opvatting moeilijk te rijmen met de ware aard-redenering van de inspecteur. Het antwoord op de vraag wat de ware aard van de inkomsten is, kan immers niet afhankelijk zijn van de keuze van een belastingplichtige, aldus het hof. 

Het hof komt tot de conclusie dat door belanghebbende genoten voordelen uit zijn lucratief belang voor verdragsdoeleinden moeten worden geschaard onder het dividendartikel en het vermogenswinstartikel. Belanghebbende krijgt dus (nogmaals) gelijk. 

Commentaar KPMG Meijburg & Co. 

De discussie over de verdragsrechtelijke uitleg van het inkomen uit lucratief belang loopt al geruime tijd. In de literatuur betwijfelt men of dit inkomen voor verdragsdoeleinden wel zomaar onder het werknemersartikel (onzelfstandige arbeid) kan worden geschaard. De Belastingdienst meent van wel, zo blijkt uit het Besluit 'Lucratief belang in internationale situaties'. Daarin wordt uiteengezet dat de verwerving en de waardestijging van het lucratieve belang in zodanig verband staan met een dienstbetrekking of een andere vorm van toekenning, dat deze inkomsten onder het onzelfstandige arbeidsartikel vallen. Met deze hofuitspraak wordt het pleit andermaal in het voordeel van belanghebbende en in het nadeel van de Belastingdienst beslecht: het inkomen valt niet onder het onzelfstandige arbeidsartikel, maar onder het dividend- en/of vermogenswinstartikel. Het is nog onbekend of de staatssecretaris beroep in cassatie tegen de uitspraak aantekent.

© 2026 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.