KPMG België-Nederland Nieuwsbrief | Februari 2026
Inhoud
- 1. KPMG Meijburg & Co Pro Memorie 2026
- 2. Nieuw OESO‑Commentaar inzake thuiswerk vaste inrichting en impact op belastingverdrag Nederland-België
- 3. Fiscale hervorming van de Belgische effectentaks vanaf 2026
- 4. HvJ EU bevestigt conclusie Advocaat-Generaal: werkzaamheden in derde landen relevant voor socialezekerheidspositie
- 5. Nederlandse fiscale maatregelen Belastingplan 2026 aangenomen met enkele wijzigingen
- 6. Afstemming liquidatiereserve op VVPRbis‑regime en aangekondigde verhoging van verlaagd tarief naar 18%
- 7. Nederlands besluit inzake btw-heffing over bemiddeling bij effectentransacties
- 8. Vlabel bevestigt behoud van vrijstelling erfbelasting op gezinswoning bij latere verkoop
1. KPMG Meijburg & Co Pro Memorie 2026
Hebt u de Nederlandse belastingtarieven, tariefschijven en andere relevante fiscale getallen voor het nieuwe jaar al helder voor de geest? In de Pro Memorie 2026 van KPMG Meijburg & Co vindt u de laatste fiscale feiten en cijfers en lichten wij een aantal belangrijke Nederlandse wetten en regels nader toe.
De Pro Memorie is een handzaam naslagwerk voor de administratievoering van bedrijven, instellingen en ondernemers in Nederland. Doe hiermee uw voordeel!
2. Nieuw OESO‑Commentaar inzake thuiswerk vaste inrichting en impact op belastingverdrag Nederland-België
Op 19 november 2025 heeft de OESO een update van het OESO‑Modelverdrag en daarbij behorende OESO‑Commentaar gepubliceerd. Een belangrijk onderdeel van deze update is dat de in 2017 aan het OESO‑Commentaar toegevoegde passages inzake de thuiswerk vaste inrichting worden vervangen door nieuwe, uitgebreidere, passages inzake de thuiswerk vaste inrichting. Uit deze nieuwe passages volgt dat volgens de OESO aan de hand van een tweetrapsraket moet worden beoordeeld of thuiswerken tot een vaste inrichting voor de toepassing van een belastingverdrag leidt. Hierna staan wij stil bij dit nieuwe OESO‑Commentaar en de gevolgen daarvan voor het huidige en nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België.
Het belang van de vraag of thuiswerken leidt tot een vaste inrichting in het woonland van de werknemer is gelegen in zowel de vennootschapsbelasting als de loonbelasting/bedrijfsvoorheffing. Indien sprake is van een vaste inrichting, dan zal de winst van een vennootschap voor zover die is toe te rekenen aan de activiteiten van de vaste inrichting belast zijn met vennootschapsbelasting in het land waar de vaste inrichting is gevestigd, en worden vrijgesteld in het andere land. In dat geval moet de vennootschap ook in het land waar de vaste inrichting is gevestigd aangifte vennootschapsbelasting doen. Voor de loonbelasting en bedrijfsvoorheffing is de aanwezigheid van een vaste inrichting relevant voor de vraag of de werkgever inhoudingsplichtig is voor (een deel van) het salaris van de thuiswerkende werknemer, wat tevens resulteert in lokale payrollverplichtingen en aangifte en afdracht van loonbelasting/bedrijfsvoorheffing.
2025 OESO‑Commentaar: een tweetrapsraket
Sinds de 2017-update van het OESO‑Commentaar wordt daarin de vraag geadresseerd wanneer thuiswerken tot een vaste inrichting zou kunnen leiden. Op basis van dit commentaar kan sprake zijn van een vaste inrichting indien op doorlopende basis vanuit huis de werkzaamheden voor de werkgever worden verricht en uit de feiten en omstandigheden volgt dat de werkgever eist dat de werknemer vanuit huis werkt. Dit laatste zou kunnen blijken uit het feit dat de werkgever niet over kantoorruimte beschikt in de staat waar de werknemer woont terwijl de aard van de dienstbetrekking wel een kantoorruimte zou vereisen. Indien aan beide voorwaarden wordt voldaan, zou de woning van de werknemer geacht kunnen worden aan de werkgever ter beschikking te staan en daarmee een vaste inrichting kunnen vormen.
De passages uit de 2017‑update inzake het beoordelen of thuiswerken tot een vaste inrichting kan leiden zijn in de 2025‑update van het OESO‑Commentaar vervangen. Vanaf de 2025‑update bevat het OESO‑Commentaar namelijk een beoordelingskader om vast te stellen of thuiswerken tot een vaste inrichting kan leiden, dat uit twee stappen bestaat. In de eerste stap wordt de mate van duurzaamheid beoordeeld, door te toetsen of een werknemer ten minste 50% van zijn werktijd in een twaalfmaandsperiode vanuit een thuiswerklocatie (of andere werklocatie) in het buitenland de werkzaamheden verricht (‘50%-toets’). Indien dit niet het geval is, dan zou het thuiswerken en remote werken doorgaans niet tot een vaste inrichting moeten leiden. Indien een werknemer wel voldoet aan de 50%-toets, dient als tweede stap aan de hand van de feiten en omstandigheden te worden beoordeeld of sprake is van een vaste inrichting, wat vereist dat de werkgever voor het uitoefenen van ondernemingsactiviteiten de beschikking heeft over de werkplek. In dat verband is het op basis van het nieuwe OESO‑Commentaar met name van belang of de werkgever een commerciële reden heeft voor het thuiswerken van de werknemer. Ook moet worden gekeken naar de aard van de werkzaamheden die vanaf de werkplek worden verricht. Voor wat betreft het beoordelen of sprake is van commerciële reden bevat het OESO‑Commentaar een aantal voorbeelden van relevante feiten en omstandigheden, alsmede een aantal concrete voorbeelden ter illustratie. Verder verduidelijkt de OESO dat in ieder geval geen sprake is van een commerciële reden indien de enige reden voor het thuiswerken van de werknemer gelegen is in het kunnen aannemen of behouden van die werknemer of indien het thuiswerken uitsluitend is ingegeven vanuit kostenbesparingsoverwegingen.
De betekenis van het 2025 OESO‑Commentaar voor het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België vanuit een Nederlands perspectief
Voor het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België lijken de wijzigingen van het OESO‑Commentaar inzake de thuiswerk vaste inrichting vanuit een Nederlands perspectief geen betekenis te hebben. Wijzigingen van het OESO‑Commentaar die dateren van na het sluiten van het betreffende belastingverdrag kunnen vanuit een Nederlands perspectief namelijk slechts van betekenis zijn voor de interpretatie daarvan als het gaat om een precisering of verduidelijking van het OESO‑Commentaar zoals dat luidde ten tijde van het sluiten van het belastingverdrag.
In het geval van de thuiswerk vaste inrichting lijkt hiervan geen sprake te zijn. Ten tijde van het sluiten van het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België in 2001 kende het OESO‑Commentaar namelijk geen passages inzake thuiswerk vaste inrichtingen terwijl uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kon worden afgeleid dat thuiswerken niet tot een vaste inrichting kan leiden omdat een woning of thuiswerklocatie van de werknemer niet ter beschikking van de werkgever staat. De introductie van passages inzake thuiswerk vaste inrichtingen in de 2017-update van het OESO‑Commentaar lijkt dan ook verder te gaan dan een precisering of verduidelijking. Gevolg is dat aan deze passages, alsmede de passages uit de 2025-update, geen betekenis toe zou kunnen komen bij de interpretatie van het vaste inrichtingsbegrip in het huidige belastingverdrag tussen Nederland en België.
Het feit dat aan het nieuwe OESO‑Commentaar inzake de thuiswerk vaste inrichting geen betekenis toekomt, brengt mee dat de op 23 november 2023 tussen Nederland en België gesloten overeenkomst inzake thuiswerk vaste inrichtingen leidend blijft. Hierin wordt eveneens van belang geacht wat de duurzaamheid van de werkplek is en is ook een 50%‑toets opgenomen (als safe harbor). Voor meer informatie over deze overeenkomst, verwijzen we naar onze berichtgeving hierover in de januari 2024-editie van deze nieuwsbrief.
De betekenis van het 2025 OESO‑Commentaar voor het nieuwe (nog niet in werking getreden) belastingverdrag tussen Nederland en België
Op 21 juni 2023 is een nieuw belastingverdrag gesloten tussen Nederland en België, dat tot op heden nog niet geratificeerd is en nog niet in werking is getreden. In het protocol bij het nieuwe verdrag is opgenomen dat het belastingverdrag moet worden geïnterpreteerd overeenkomstig het OESO‑Commentaar zoals dat luidt op het moment dat het belastingverdrag wordt toegepast, indien de betreffende verdragsbepaling overeenkomt met een bepaling uit het OESO‑Modelverdrag. Uit het protocol volgt zodoende dat wijzigingen van het OESO‑Modelverdrag na het ondertekenen van het belastingverdrag gevolgen kunnen hebben voor de interpretatie daarvan.
Gegeven dat de definitie van het begrip vaste inrichting overeenkomt met de in het OESO‑Modelverdrag opgenomen definitie, dient dit begrip op basis van het protocol te worden geïnterpreteerd overeenkomstig het in 2025 gepubliceerde OESO‑Commentaar inzake de thuiswerk vaste inrichting. Op het moment dat het nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en België in werking treedt, kan het aldus voorkomen dat de kwalificatie van een werknemer die thuiswerkt als gevolg van het nieuwe belastingverdrag – ten opzichte van de situatie onder het huidige belastingverdrag – wijzigt.
Mees Vergouwen
3. Fiscale hervorming van de Belgische effectentaks vanaf 2026
Vanaf 2026 zal de jaarlijkse taks op effectenrekeningen, beter bekend als de effectentaks, ingrijpende wijzigingen ondergaan. Het tarief wordt verdubbeld van 0,15% naar 0,30%. Daarnaast worden de regels rond misbruik aangescherpt en krijgt de belastingadministratie extra controlemogelijkheden.
De jaarlijkse taks op de effectenrekeningen: overzicht
Sinds 26 februari 2021 geldt een jaarlijkse taks van 0,15% op elke effectenrekening met een gemiddelde waarde van meer dan € 1 miljoen. Deze belasting is van toepassing op rekeningen die worden aangehouden bij een tussenpersoon, zoals een bank. De taks wordt geheven per rekening, ongeacht het aantal rekeninghouders, hun onderlinge verhouding of de juridische eigendomsvorm (zoals blote eigendom, vruchtgebruik of onverdeeldheid). Indien de tussenpersoon in België is gevestigd, dient deze de verschuldigde belasting in te houden en af te dragen. Bij rekeningen aangehouden via buitenlandse tussenpersonen is de rekeninghouder zelf gehouden tot aangifte en betaling van de verschuldigde effectentaks.
Voor wie geldt de effectentaks?
De effectentaks is van toepassing op Belgische effectenrekeningen van zowel inwoners als niet-inwoners. Belgische inwoners zijn bovendien ook belastingplichtig op hun buitenlandse effectenrekeningen. Niet-inwoners kunnen in bepaalde gevallen genieten van een vrijstelling, indien hun fiscale woonplaats zich bevindt in een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft dat voorziet in een vrijstelling van vermogensbelasting, zoals onder meer Nederland (alleen onder toepassing van het huidige verdrag uit 2001), Duitsland en Luxemburg.
Een Belgische inwoner met effectenrekeningen van elk meer dan € 1 miljoen in zowel België als Nederland, betaalt op beide rekeningen de effectentaks. Een Nederlands fiscaal inwoner met een effectenrekening in België kan zich beroepen op de vrijstelling in het huidige dubbelbelastingverdrag.
Welke financiële instrumenten vallen onder de taks?
De effectentaks is van toepassing op alle financiële instrumenten die op een effectenrekening worden aangehouden, zoals aandelen, obligaties, trackers en opties. Ook liquide middelen (cash) op de effectenrekening worden meegeteld. Nominatieve effecten (effecten op naam) die niet via een effectenrekening worden aangehouden, vallen buiten het toepassingsgebied.
Drempel van € 1 miljoen: hoe wordt deze berekend?
De taks wordt geheven op de gemiddelde waarde van de belastbare financiële instrumenten gedurende de referentieperiode van 1 oktober tot en met 30 september. Tijdens deze periode wordt de waarde op vier momenten gemeten: 31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september. De gemiddelde waarde van deze vier metingen bepaalt of de drempel van € 1 miljoen wordt overschreden. De drempel wordt per effectenrekening afzonderlijk beoordeeld. Heeft u meerdere effectenrekeningen, dan worden de waarden niet samengevoegd, er is geen globalisatie. De belasting wordt berekend op de totale gemiddelde waarde van de effectenrekening, niet enkel op het bedrag boven de drempel van € 1 miljoen.
Nieuwe antimisbruikregels vanaf 2026
Naast de tariefverhoging worden er vanaf 2026 strengere maatregelen ingevoerd om ontwijking van de effectentaks tegen te gaan. In de praktijk werd vastgesteld dat belastingplichtigen de taks probeerden te vermijden door bijvoorbeeld hun effecten te spreiden over verschillende rekeningen, zodat het saldo per rekening onder de grens van € 1 miljoen blijft, of door effecten om te zetten naar nominatieve titels (op naam) die buiten het toepassingsgebied van de taks vallen.
Om deze ontwijkingsstrategieën te ontmoedigen, introduceert de wetgever een weerlegbaar vermoeden van fiscaal misbruik voor dergelijke handelingen. Dit betekent dat de rekeninghouder moet kunnen aantonen dat er een andere, legitieme reden was voor de splitsing van rekeningen of de omzetting naar nominatieve effecten dan het vermijden van de effectentaks. Kan men dit niet bewijzen, dan moet alsnog een bijkomende aangifte worden ingediend en wordt de belasting berekend alsof de splitsing of omzetting nooit heeft plaatsgevonden.
Voorbeelden van aanvaardbare motieven (volgens de Memorie van Toelichting):
- Een schenking van effecten door een ouder aan zijn kinderen, waarbij de ouder het vruchtgebruik behoudt en de kinderen de blote eigendom verkrijgen.
- De splitsing van een effectenrekening als gevolg van omstandigheden buiten de wil van de rekeninghouder, zoals een echtscheiding of een overlijden
Nieuwe controlemechanismen vanaf 2026
Om de correcte toepassing van de effectentaks te waarborgen, worden de controlemogelijkheden uitgebreid. Belgische financiële instellingen zijn verplicht om bepaalde omzettingen of overdrachten van effecten, die aan specifieke criteria voldoen, te melden aan de Belgische belastingadministratie. Voor buitenlandse effectenrekeningen geldt dat de belastingplichtige zelf dergelijke transacties moet aangeven bij de belastingadministratie. Daarnaast zal de belastingadministratie vanaf 1 december 2026 ruimere bevoegdheden verkrijgen om informatie over effectenrekeningen op te vragen via het Centraal Aanspreekpunt (‘CAP’) van de Nationale Bank van België en andere databanken. Hierdoor kunnen transacties en effectenrekeningen nog grondiger worden gecontroleerd.
Dorien Christiaen
4. HvJ EU bevestigt conclusie Advocaat-Generaal: werkzaamheden in derde landen relevant voor socialezekerheidspositie
In de juli 2025-editie van onze nieuwsbrief zijn wij ingegaan op de conclusie van Advocaat-Generaal (A-G) Rantos van 5 juni 2025 in zaak C-743/23 (GKV-Spitzenverband). Het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘HvJ EU’) heeft inmiddels arrest gewezen in deze zaak.
De centrale vraag in deze procedure is of werkzaamheden die in derde landen worden verricht, moeten worden meegenomen bij de vaststelling of in de woonstaat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden wordt verricht. Dit is relevant voor de toepassing van de EU-socialezekerheidsverordening en daarmee in welk land een werknemer of een zelfstandige sociaal verzekerd is.
Oordeel van het HvJ EU
Het HvJ EU volgt in zijn arrest de conclusie van A-G Rantos en oordeelt dat bij de vaststelling of in de woonstaat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden wordt verricht (als werkzaamheden worden verricht in de woonstaat en minstens in nog een andere lidstaat), alle werkzaamheden van de werknemer in aanmerking moeten worden genomen, ongeacht de plaats waar deze werkzaamheden worden verricht. Dit betekent dat ook soortgelijke werkzaamheden onder hetzelfde contract die in derde landen (landen waarop de verordening niet van toepassing is) worden verricht, moeten worden meegewogen.
Volgens het HvJ EU mag de beoordeling van het substantiële gedeelte in dat geval niet worden beperkt tot werkzaamheden binnen de EU, de EER of Zwitserland, omdat dit geen recht doet aan de feitelijke arbeidssituatie van de werknemer. Door alle soortgelijke werkzaamheden onder hetzelfde contract mee te nemen, sluit het HvJ EU aan bij de hiërarchie in toepassing van de socialezekerheidsverordening, die wordt bepaald volgens de sterkte van de band met de arbeidsverhouding (plaats van tewerkstelling, zetel van de werkgever en tot slot de woonplaats van de werknemer).
Gevolgen voor de praktijk
Met dit arrest is duidelijk geworden dat werkzaamheden in derde landen in bepaalde restrictieve gevallen moeten worden meegenomen bij de beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden wordt verricht vanuit de woonstaat. Dit kan gevolgen hebben voor de uitvoeringspraktijk in onder meer Nederland en België.
Het arrest heeft geen gevolgen voor socialezekerheidsrechten of -verplichtingen in derde landen, maar is uitsluitend relevant voor de bepaling van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving binnen de EU, EER en Zwitserland.
De uitspraak roept op dit moment verschillende vragen op voor de grensoverschrijdende coördinatie van de sociale zekerheidspositie, waaronder:
- de gevolgen voor de toepassing van de Europese Kaderovereenkomst inzake thuiswerken, met name in situaties waarin ook (regelmatig) werkzaamheden in derde landen worden verricht;
- mogelijke aanpassingen van A1-aanvraagprocedures en -bijbehorende documentatie;
- de wijze waarop autoriteiten werkzaamheden in derde landen zullen verifiëren en of dit zal leiden tot aanvullende bewijs- of documentatievereisten;
- de mogelijke herbeoordeling van eerdere vaststellingen van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving.
Heeft u vragen over de gevolgen van deze uitspraak voor de vaststelling van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving voor u of uw werknemers? Neem dan contact met ons op.
Esther Schutte, Esmiralda Pasma, Tessa Kross en Jeroen Vandenbossche
5. Nederlandse fiscale maatregelen Belastingplan 2026 aangenomen met enkele wijzigingen
Nadat de Tweede Kamer op 27 november 2025 het pakket Belastingplan 2026 heeft aangenomen, heeft ook de Eerste Kamer 2026 op 16 december 2025 dit omvangrijke pakket met Nederlandse fiscale maatregelen voor 2026 goedgekeurd. In de september 2025-editie van deze nieuwsbrief bespraken wij de belangrijkste voorgestelde onderdelen uit het Belastingplan 2026. In vergelijking met de op Prinsjesdag voorgestelde maatregelen zijn er door het kabinet en de Tweede Kamer via nota’s van wijziging en amendementen enkele wijzigingen doorgevoerd. Hieronder bespreken wij de meest relevante wijzigingen.
Fonds voor gemene rekening
Het overgangsrecht voor de aanpassingen aan de definitie van het fonds voor gemene rekening (‘fgr’) wordt uitgebreid. De voorwaarden om als fgr te kwalificeren zijn per 1 januari 2025 aangepast en om knelpunten te voorkomen worden verdere aanpassingen beoogd, op zijn vroegst per 1 januari 2027. Dit zou in bepaalde gevallen kunnen leiden tot een korte zelfstandige belastingplicht in de vennootschapsbelasting voor fondsen die in de tussentijd als fgr kwalificeren, wat met het overgangsrecht wordt tegengegaan. Door deze uitbreiding is het overgangsrecht niet langer beperkt tot fondsen die reeds op 31 december 2024 bestonden en kunnen fondsen die op of na 1 januari 2025 zijn opgericht ook een beroep doen op het overgangsrecht.
EIA/MIA
De energie-investeringsaftrek (‘EIA’) en milieu-investeringsaftrek (‘MIA’) kunnen vanaf 1 januari 2029 niet langer leiden tot een negatieve winst uit onderneming in box 1 van de inkomstenbelasting. De aftrek wordt begrensd tot de winst van dat jaar; niet-benutte aftrek kan worden doorgeschoven.
Lucratief belang
De inwerkingtredingsdatum van de multipliermaatregel in de lucratiefbelangregeling, bedoeld om de effectieve belastingdruk op lucratieve belangen die zijn gestructureerd via box 2 van de Nederlandse inkomstenbelasting te verhogen naar 36% (gelijk aan het tarief in box 3), wordt uitgesteld tot 1 januari 2028 (gelijk aan de beoogde inwerkingtredingsdatum voor het nieuwe box 3-regime).
Box 3
De voorgestelde versoberingen in box 3 worden teruggedraaid. De verhoging van het forfait voor overige bezittingen met 1,78% en de verlaging van het heffingsvrije vermogen in box 3 gaan niet door. De dekking hiervoor is gevonden in een versnelde afbouw van de Wet Hillen (aftrek in verband met een kleine eigenwoningschuld), zodat deze niet in 2048 maar al in 2041 zal zijn uitgefaseerd. In 2026 geldt hierdoor een forfait voor overige bezittingen van 6% (in plaats van 7,78%) en een heffingsvrij vermogen van € 59.357 (in totaal € 118.714 bij fiscale partners).
Bijtelling privégebruik van elektrische auto’s
De korting op de bijtelling voor het privégebruik van elektrische auto’s (‘EV’s’) van de zaak, die per 1 januari 2026 zou vervallen, blijft alsnog twee jaar in gewijzigde vorm bestaan. De bijtelling voor EV’s wordt 18% in 2026 voor de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde, 20% in 2027 en pas vanaf 2028 22%. Als een EV in 2026 wordt aangeschaft, geldt de voorgestelde bijtelling van 18% nog gedurende 60 maanden. Verder wordt de youngtimerregeling geleidelijk versoberd. In deze regeling wordt voor oudere auto’s van de zaak een hoger bijtellingspercentage van 35% gerekend, maar slechts over de dagwaarde van de auto in plaats van de cataloguswaarde. De minimumleeftijd voor youngtimers wordt per 2026 met één jaar verhoogd van vijftien naar zestien jaar, en vanaf 2027 met nog eens negen jaar naar vijfentwintig jaar.
WBSO
De WBSO-schijfgrens wordt in 2026 eenmalig geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor van 2,9% tot € 391.020. Het verhoogde percentage voor speur- en ontwikkelingswerk is hierdoor op een iets groter deel van de loonsom van toepassing, waardoor vooral het mkb en starters profiteren.
Vliegbelasting
Met ingang van 1 januari 2030 wordt een apart tarief in de vliegbelasting geïntroduceerd voor vliegtuigen tot en met 19 zitplaatsen. De vliegbelasting zal een afstandsafhankelijke tariefstructuur kennen om de relatief hoge externe kosten van dergelijke vluchten te beprijzen. Dit komt neer op een heffing van € 420 per passagier voor een korte vlucht en € 1.015 voor vliegreizen tussen de 2.000 en 5.500 kilometer. Voor dergelijke vluchten langer dan 5.500 kilometer zal de heffing € 2.100 bedragen.
Miguel Ikpia, Eveline van Niekerk en Pepijn van Eijk
6. Afstemming liquidatiereserve op VVPRbis‑regime en aangekondigde verhoging van verlaagd tarief naar 18%
Dividenden zijn winstuitkeringen door een onderneming aan haar aandeelhouders. Standaard bedraagt in België het belastingtarief op dividenduitkeringen 30% (roerende voorheffing).
Belgische vennootschappen die evenwel worden aangemerkt als een ’kleine’ vennootschap kunnen onder bepaalde voorwaarden genieten van een verlaagd tarief roerende voorheffing bij het uitkeren van dividenden. Hiervoor bestaan twee regelingen, zijnde het regime van de liquidatiereserve of het VVPRbis‑regime (Verlaagde Voorheffing/Précompte Réduite). Terwijl de aanleg van een liquidatiereserve vroeger leidde tot een effectieve belastingdruk op dividenduitkeringen van 13,24%, bedroeg dit voor de uitkering van reserves onder het VVPRbis‑regime 15%. Het uitkeren van dividend aan dat meest gunstige tarief, vereiste voor een liquidatiereserve een wachttermijn van vijf jaar, terwijl de wachttermijn in het VVPRbis‑regime drie jaar bedraagt.
In een recente wetswijziging werden beide regimes meer op elkaar afgestemd, waardoor de effectieve belastingdruk bij uitkering van een dividend (en mits aan alle voorwaarden is voldaan) voor beide regimes 15% bedraagt en de wachttermijn zowel voor de liquidatiereserve als bij VVPRbis drie jaar bedraagt.
Ondertussen werd in het Belgisch begrotingsakkoord van november 2025 overeengekomen dat het huidige effectieve tarief van 15% zal worden opgetrokken naar 18% met beoogde inwerkingtreding op 1 januari 2026. Hierdoor zou de totale belastingdruk op winstuitkeringen door kleine vennootschappen (25% vennootschapsbelasting + roerende voorheffing) stijgen naar 38,50% (dit was 36,25%). Tot op heden is deze verdere verhoging evenwel nog niet doorgevoerd in wetgeving.
Liquidatiereserve
Een kleine vennootschap kan, mits betaling van een afzonderlijke aanslag vennootschapsbelasting naar een tarief van 10%, haar winst na vennootschapsbelasting geheel of gedeeltelijk overboeken naar een afzonderlijke passiefrekening onder de beschikbare reserves, die niet tot grondslag mag dienen voor enige beloning of toekenning (de 'onaantastbaarheidsvoorwaarde').
Voor liquidatiereserves aangelegd vóór 1 januari 2026 en die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 29 juli 2025 zal naast de 10% vennootschapsbelasting bij aanleg:
- 6,5% roerende voorheffing verschuldigd zijn indien de aangelegde reserves gedurende een periode tussen drie jaar en vijf jaar behouden zijn gebleven in de vennootschap op een afzonderlijke rekening van het passief;
- 5% roerende voorheffing verschuldigd zijn indien de aangelegde reserves gedurende een periode van ten minste vijf jaar behouden zijn gebleven in de vennootschap op een afzonderlijke rekening van het passief;
- 20% roerende voorheffing verschuldigd indien de aangelegde reserves minder dan drie jaar behouden zijn gebleven in de vennootschap op een afzonderlijke rekening van het passief;
- Een tarief van 0% indien de aantasting gebeurt bij vereffening van de vennootschap.
Voor liquidatiereserves aangelegd vanaf 1 januari 2026zal bij uitkering of betaalbaarstelling naast de heffing van 10% bij aanleg:
- 6,5% roerende voorheffing verschuldigd zijn indien de reserves gedurende ten minste drie jaar behouden zijn gebleven in de vennootschap op een afzonderlijke rekening van het passief;
- 30% roerende voorheffing verschuldigd zijn indien de reserves gedurende minder dan drie jaar behouden zijn gebleven in de vennootschap op een afzonderlijke rekening van het passief;
- 0% indien de aantasting van de reserves gebeurt bij vereffening van de vennootschap.
De uitkering van de liquidatiereserves loopt via het ‘FIFO-principe’ (first in, first out), waarbij het uitgekeerde dividend telkens geacht wordt voort te komen uit de oudste beschikbare liquidatiereserves.
Voor liquidatiereserves aangelegd voor boekjaren die afsluiten vanaf 31 december 2025 zou de roerende voorheffing volgens de aangekondigde wijziging stijgen naar 9,8% (was 6,5%), waardoor de effectieve belastingdruk op 18% komt te liggen. Liquidatiereserves aangelegd voor boekjaren die afsluiten uiterlijk op 30 december 2025 kunnen wel nog worden uitgekeerd aan 6,5% (of 5%) roerende voorheffing. Daarna wordt een antimisbruikbepaling wettelijk verankerd waardoor uitkeringen van liquidatiereserves in het kader van de vereffening van een vennootschap niet langer vrijgesteld zijn als binnen de drie jaar dezelfde of een soortgelijke activiteit wordt voortgezet via een andere vennootschap.
Aangezien het tijdstip van aanleg van de liquidatiereserve bepalend is voor het nieuw tarief van 18% roerende voorheffing, heeft het weinig nut om nog snel reserves uit te keren. Het is hoe dan ook aan te bevelen om de wachttermijn voor uitkering te respecteren, teneinde een straftarief tot 30% roerende voorheffing (bovenop de 10% heffing bij aanleg) te vermijden.
VVPRbis
De VVPRbis‑regeling houdt in dat een kleine vennootschap, voor zover aan een aantal voorwaarden is voldaan (nieuwe aandelen op naam, uitgegeven bij oprichting of kapitaalverhoging ingevolge een inbreng in geld op of na 1 juli 2013 en die sindsdien ononderbroken zijn aangehouden in volle eigendom), vanaf het derde boekjaar volgend op het boekjaar van de kapitaalinbreng bij oprichting of kapitaalverhoging dividenden kan uitkeren aan een tarief van 15% roerende voorheffing.
Een uitkering in het belastbaar tijdperk van de inbreng en in het eerstvolgende belastbaar tijdperk is onderworpen aan het standaardtarief in de roerende voorheffing van 30%, bij uitkering uit de winstverdeling voor het tweede boekjaar na dat van de inbreng is het tarief 20%. Nadien bedraagt het tarief 15%.
Voor de toepassing van het tarief van 20% is een uitdoofscenario voorzien. Zo zal dit tarief enkel nog gelden voor dividenden uit aandelen van een ten laatste op 31 december 2025 verrichte inbreng.
En ook hier zal het verlaagd tarief van 15% worden opgetrokken naar 18%, ingaande vanaf de eerste dag van de maand volgend op de publicatie van de aangekondigde wetgeving in het Belgisch Staatsblad (momenteel nog niet gepubliceerd). Mocht u reserves hebben die in aanmerking komen voor VVPRbis kan u overwegen om een dividend uit te keren, teneinde de verhoging van het belastingtarief naar 18% nog te vermijden. Uiteraard moeten hiervoor voldoende middelen aanwezig zijn in de vennootschap (balans- en liquiditeitstest).
We bekijken graag samen met u de mogelijkheden, waarbij we uiteraard aandacht besteden aan alle te vervullen voorwaarden!
Manon Pollet
7. Nederlands besluit inzake btw-heffing over bemiddeling bij effectentransacties
Op 15 oktober 2025 is het Nederlandse Besluit bemiddeling bij effectentransacties gepubliceerd en in werking getreden. Het besluit biedt verduidelijking bij de beoordeling van het toepassingsbereik van de btw-vrijstelling voor bemiddeling bij effectentransacties, met name bij corporate finance dienstverlening. Het nieuwe besluit maakt duidelijk dat de staatssecretaris van Financiën een ruime interpretatie van de vrijstelling voorstaat.
Achtergrond
Er geldt een vrijstelling van btw voor handelingen of bemiddeling (met uitzondering van bewaring en beheer) met betrekking tot effecten en andere waardepapieren, met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen. De objectieve inhoud van de activiteiten is bepalend voor de beoordeling of sprake is van vrijgestelde bemiddeling.
Deze juridische definitie leidde echter lange tijd tot onduidelijkheid over wat in de praktijk kwalificeert als ’bemiddeling bij effectentransacties’. De publicatie van dit Besluit is voor de praktijk relevant, omdat veel corporate finance dienstverleners all-in dienstverleningspakketten aanbieden en hier in de praktijk verschillend mee wordt omgegaan voor de btw. De rechtspraak bood bovendien geen volledige duidelijkheid en heeft juist tot verschillende interpretaties geleid.
Definitie volgens besluit
Uit het nieuwe besluit volgt dat de Belastingdienst het standpunt inneemt dat de btw-vrijstelling van toepassing is wanneer de dienstverlener activiteiten verricht die zien op alle van de volgende fasen:
- Oriëntatie- en kennismakingsfase;
- Informatie- en voorbereidingsfase;
- Onderhandelingsfase;
- Contractsluiting.
All-in corporate finance dienstverlening (bijvoorbeeld strategisch en financieel advies bij fusies, overnames of verkoop en opvolging) valt volgens het besluit binnen de btw-vrijstelling. Indien het all-in traject op enig moment wordt afgebroken, staat dat op zichzelf niet aan de kwalificatie als vrijgestelde bemiddelingsdienst in de weg. Indien de dienstverlening niet alle vier fasen omvat, dient de toepassing van de vrijstelling afzonderlijk te worden beoordeeld. De reikwijdte van de vrijstelling is beperkt tot materiële of technische dienstverlening die leidt tot een aandelentransactie. Het enkel verstrekken van een informatiememo, advies over bedrijfswaardering of het verkoopklaar maken van een bedrijf of juridische dienstverlening valt volgens de staatssecretaris niet onder de vrijstelling. Het samenbrengen van meerdere koop- en verkooporders van derden met betrekking tot effecten, bijvoorbeeld op een effectenbeurs, wordt in het besluit expliciet als voorbeeld genoemd van diensten die wél onder de bemiddelingsvrijstelling vallen.
Gevolgen
Aangezien in de praktijk tot op heden wisselend werd omgegaan met de toepassing van de bemiddelingsvrijstelling op onder andere all-in dienstverlening, zullen de praktische gevolgen ook verschillen. Voor corporate finance dienstverleners die all-in corporate finance dienstverlening btw-belast behandelden geeft het besluit aanleiding om dit opnieuw te beoordelen.
Hoewel het besluit slechts de visie van de staatssecretaris beschrijft en de werking van wetgeving en eerdere jurisprudentie dus niet ’overruled’’, is hierdoor duidelijk wanneer de Belastingdienst van mening is dat sprake is van btw-vrijgestelde dienstverlening. Volgens het besluit zullen dienstverleners die de bemiddelingsvrijstelling dienen toe te passen sneller te maken krijgen met een beperking van het recht op aftrek van voorbelasting. Nederlandse ondernemers die deze dienstverlening inkopen vanuit het buitenland kunnen eerder een beroep doen op een btw-vrijstelling voor de afgenomen diensten, zodat aan hen geen btw in rekening hoeft te worden gebracht. Het is raadzaam om vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit (15 oktober 2025) geen facturen met btw te accepteren voor all-in corporate finance dienstverlening.
De belastingadviseurs van KPMG Meijburg & Co helpen u graag bij het in kaart brengen van de mogelijke impact van de wijzigingen op uw onderneming. Neemt u gerust contact op met een van hen, of met uw gebruikelijke adviseur.
Menno Steijvers en Mathijs Horsthuis
8. Vlabel bevestigt behoud van vrijstelling erfbelasting op gezinswoning bij latere verkoop
De Vlaamse Belastingdienst (‘Vlabel’) heeft zich in een recente voorafgaande beslissing uitgesproken over de fiscale behandeling van een verkregen vrijstelling van erfbelasting op de gezinswoning tussen partners, gevolgd door een verkoop van de gezinswoning binnen twee jaar nadat de erflater is overleden. Hierbij stelt Vlabel dat een dergelijke latere rechtshandeling na het verkrijgen van de vrijstelling in de betreffende situatie niet als fiscaal misbruik wordt beschouwd en geen aanleiding geeft tot het verlies van de eerder verkregen vrijstelling.
Feiten
Een man laat op het moment van zijn overlijden zijn feitelijk samenwonende partner en ook drie eigen kinderen achter als erfgenamen. De erflater was eigenaar van een woning die als gezinswoning diende, waarin zijn feitelijk samenwonende partner (de aanvrager) na zijn overlijden bleef wonen. Concreet erfde de aanvrager de helft van de gezinswoning in volle eigendom. De drie kinderen van de erflater erfden elk een zesde van de gezinswoning in volle eigendom.
Op het moment van overlijden waren de erflater en de aanvrager reeds drie jaar feitelijk samenwonend en gedomicilieerd op hetzelfde adres. Derhalve was de vrijstelling van erfbelasting op de gezinswoning tussen partners verkregen van toepassing bij de aanvrager.
De onverdeelde eigendomssituatie gaf aanleiding tot onenigheid tussen de erfgenamen. Om juridische conflicten te vermijden, wordt de verkoop van de gezinswoning overwogen.
Argumentatie van de aanvragers
De aanvrager vroeg een voorafgaande beslissing aan met de vraag of de voorgenomen verkoop van de gezinswoning niet als fiscaal misbruik zou worden beschouwd en zou leiden tot het verlies van de verkregen vrijstelling van erfbelasting op de gezinswoning.
De aanvrager stelt dat de beoogde verrichting is ingegeven door een niet-fiscaal motief. De verkoop is volgens haar noodzakelijk wegens het uitblijven van een minnelijke schikking tussen de mede-erfgenamen, wat de totstandkoming van een duurzame woonregeling bemoeilijkt.
Analyse door Vlabel
Vlabel stelt allereerst dat de vervulling van de voorwaarden voor vrijstelling van erfbelasting op de gezinswoning tussen partners, wordt beoordeeld op het moment van het overlijden. Vlabel bevestigt vervolgens dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Daarnaast voegt Vlabel toe dat de niet-vervreemding of het behoud van de gezinswoning na het overlijden van de erflater niet tot deze voorwaarden behoren.
Vervolgens stelt Vlabel dat de aanvrager zich door de voorgenomen verrichting geenszins kunstmatig binnen het toepassingsgebied plaatst van een fiscale bepaling die een belastingvoordeel oplevert.
Op basis hiervan concludeert Vlabel dat de beoogde verrichting geen schending vormt van de fiscale bepaling op basis waarvan de vrijstelling van erfbelasting werd verkregen, noch rechtstreeks, noch via de toepassing van de antirechtsmisbruikbepaling. De voorgenomen verkoop van de gezinswoning vormt dus geen fiscaal misbruik en de aanvrager behoudt dan ook de in haar hoofde verkregen vrijstelling van erfbelasting op de gezinswoning.
Praktische implicaties
Deze voorafgaande beslissing bevestigt dat Vlabel een soepele visie hanteert inzake voormelde verrichting.
Vrijstellingen en verminderingen worden vastgesteld op het moment van overlijden. Kortom, handelingen die belastingplichtigen (waaronder erfgenamen) na het overlijden verrichten, hebben doorgaans geen invloed op het verkrijgen of behouden van fiscale voordelen die in het kader van de nalatenschap werden toegekend.
Esmee Elinck en Ann-Sophie Smets