Hoge Raad: rente op lening van Belgisch coördinatiecentrum niet aftrekbaar

20 januari 2026
Hoge Raad: rente op lening van Belgisch coördinatiecentrum niet aftrekbaar

Op vrijdag 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad einduitspraak gedaan in een langlopende zaak over renteaftrek op een door een Belgische groepsfinancieringsentiteit verstrekte lening die gebruikt was voor een overname. In deze zaak is al eerder door de Hoge Raad om uitleg van het Europese recht gevraagd aan het Europese Hof van Justitie. Het nu gewezen arrest betreft het eindarrest, waarin de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan met inachtneming van de antwoorden die het Europese Hof gaf. De Hoge Raad oordeelt dat de groepslening op basis van fiscale motieven via de groepsfinancieringsentiteit was verstrekt en dat daarom de rente niet-aftrekbaar was op grond van artikel 10a Wet Vpb 1969. Ook maakt de Hoge Raad duidelijk dat de tegenbewijsregeling in art. 10a Wet Vpb 1969 voor wat betreft de zakelijkheidstoets in lijn is met het EU-recht. 

Achtergrond: overnameschuld van een Belgisch ‘coördinatiecentrum’

Een Nederlandse BV had een overname gefinancierd met leningen van een Belgisch concernfinancieringslichaam. De groepsvennootschap had in België de status van ‘coördinatiecentrum’, waarmee deze destijds onder een specifiek begunstigend fiscaal regime viel. De discussie ziet op het belastingjaar 2007, waarin de belastingplichtige de rente op de overnameleningen in aftrek bracht, maar dit werd geweigerd door de inspecteur op grond van art. 10a Wet Vpb 1969. 

Als een lening binnen het bereik van de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969 valt en geen sprake is van voldoende compenserende heffing over de rentebaten, dan kan de rente slechts in aftrek worden gebracht als de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zowel de acquisitie als de financiering in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. In deze zaak was in geschil of de Nederlandse BV aannemelijk heeft gemaakt dat van dergelijke zakelijke overwegingen sprake was. 

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een financiering in beginsel (in overwegende mate) zakelijk is als het geld niet is omgeleid binnen de groep. Als er wel sprake is van een omleiding binnen de groep, dan geldt de financiering in principe als (in overwegende mate) onzakelijk – tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat in het onderhavige geval sprake was van een dergelijke onzakelijke omleiding van de financiering, omdat de lening in feite was gefinancierd uit kapitaal dat de aandeelhouder van het coördinatiecentrum kort voor het verstrekken van de lening had gestort. Hof en Rechtbank concludeerden dan ook dat de renteaftrek terecht was geweigerd door de Belastingdienst met toepassing van artikel 10a Wet Vpb 1969. De Hoge Raad volgt deze oordelen en verduidelijkt in dat verband twee aspecten van de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet Vpb 1969: de onzakelijke financiering en financiële spilfunctie, en EU-rechtelijke aspecten van de renteaftrekbeperking.

Mogelijke zakelijke financiering: financiële spilfunctie

De Hoge Raad had al in 2023 geoordeeld dat een lening niet onzakelijk kan zijn omgeleid indien deze is verstrekt door een groepsvennootschap met een financiële spilfunctie en de groepsvennootschap ten aanzien van de relevante lening niet slechts als doorgeefluik fungeert. In het onderhavige arrest overweegt de Hoge Raad dat – zelfs indien het coördinatiecentrum een financiële spil zou vervullen – het coördinatiecentrum met betrekking tot de aan de Nederlandse BV verstrekte financiering fungeerde als een doorgeefluik omdat ten aanzien van die specifieke financiering géén daadwerkelijke financieringsrol werd vervuld door het coördinatiecentrum. 

Opmerkelijk in dit verband is dat de Hoge Raad in het eerdere verwijzingsarrest in 2022 over deze zaak, de onzakelijkheid van de financiering als zodanig evident beschouwde, dat dit werd afgedaan met art. 81 Wet RO. De Hoge Raad kiest er niettemin voor in het onderhavige arrest alsnog te motiveren waarom niet aan de voorwaarden voor het hebben van een spilfunctie was voldaan in het onderhavige geval. In navolging van de conclusie van de A-G wijst de Hoge Raad in dit verband op het feit dat het coördinatiecentrum ten aanzien van de aan de Nederlandse BV verstrekte lening als doorgeefluik fungeerde. In dat geval kan niet met succes een beroep gedaan worden op het vervullen van een spilfunctie. In het oordeel van de Hoge Raad dat sprake was van een doorgeefluik ligt besloten dat ook bij de storting van eigen vermogen gevolgd door het verstrekken van een lening, sprake kan zijn van een doorgeefluik en dus een onzakelijke omleiding. 

Voorafgaand aan dit arrest was het de vraag of een doorgeefluik alleen gold bij het direct in- en doorlenen van gelden. Met dit arrest is duidelijk dat van een doorgeefluik ook sprake kan zijn bij een kapitaalstorting gevolgd door het verstrekken van een lening.

Artikel 10a Wet Vpb is in lijn met EU-recht

De Hoge Raad had eerder in deze zaak prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU (‘HvJ EU’) gesteld of art. 10a Wet Vpb in overeenstemming is met het EU-recht. Op grond van een eerder arrest van het Europese Hof van Justitie werd namelijk getwijfeld of de renteaftrekbeperking wel zou mogen gelden als de voorwaarden van de lening op zichzelf zakelijk (“at arm’s length”) waren. Het Hof van Justitie antwoordde daarop dat ondanks dergelijke zakelijke voorwaarden, een lening alsnog volstrekt kunstmatig zou kunnen zijn en daarom de renteaftrekbeperking gerechtvaardigd is. De zakelijkheidstoets van artikel 10a Wet Vpb 1969 zou daarmee niet in strijd zijn met EU-recht.

Na de beantwoording van de prejudiciële vragen heeft de belastingplichtige aangevoerd dat de voor het aannemelijk maken van de vereiste zakelijkheid voor art. 10a (‘inoverwegende mate zakelijke overwegingen’) strengere eisen gelden dan noodzakelijk is op basis van de relevante EU-regels waarvoor het voldoende zou zijn dat sprake is van ‘enig verband met de economische realiteit’. 

In het onderhavige arrest oordeelt de Hoge Raad dat een juiste interpretatie van het EU-recht meebrengt dat het aannemelijk moet zijn dat fiscale overwegingen niet de doorslag hebben gegeven voor het aangaan van een transactie; het bestaan van gewichtige(r) bedrijfseconomische overwegingen hoeft aldus niet af te doen aan de conclusie dat sprake is van een volstrekt kunstmatige constructie. Volgens de Hoge Raad moeten de bewoordingen van het HvJ EU aldus niet zo strikt worden opgevat, en is de relevante vraag of de fiscale motieven het doorslaggevende element zijn geweest voor de transactie – ongeacht of er wellicht ook bedrijfseconomische overwegingen zijn. 

Commentaar KPMG Meijburg & Co

Na de Brillenzaak en de Koffiezaak, komt met het onderhavige arrest een eind aan nog een langlopende procedure over renteaftrek. Ook lijkt de Hoge Raad dit moment aan te grijpen om verschillende aspecten van de renteaftrekbepaling te verduidelijken.

De Hoge Raad oordeelt namelijk dat de zakelijkheidstoets in artikel 10a Wet Vpb 1969 niet in strijd is met het EU-recht. Met de overweging dat het HvJ EU de bewoordingen ‘volstrekte kunstmatigheid’ niet zo strikt zal hebben bedoeld en door ook in detail in te gaan op andere rechtsoverwegingen van het HvJ EU, oordeelt de Hoge Raad dat artikel 10a in overeenstemming is met het EU-recht. Hiermee lijkt de Hoge Raad vooral latere procedures over eventuele strijdigheid met EU-recht, voor te willen zijn. 

Ook geeft de Hoge Raad nadere invulling aan de financiële spilfunctie en het doorgeefluik. Tot dusver lijkt de figuur van de financiële spil – die binnen het speelveld van art. 10a als een soort ‘safe harbour’ zou gelden – in de jurisprudentie niet eenvoudig te worden gehonoreerd. Dit is tot nu toe ofwel gestrand op de praktische bewijslast voor de aanwezigheid van die spilfunctie, dan wel op het oordeel dat – zoals in onderhavig geval – ten aanzien van de aan de orde zijnde financiering niet als financiële spil wordt gehandeld, omdat er ten aanzien van de lening sprake was van een doorgeefluik. 

Tot slot blijkt ook uit dit arrest dat inmiddels een complex speelveld geldt voor de beoordeling of financiering als zakelijk kan worden aangemerkt in het licht van art. 10a Wet Vpb, en wie hiervoor te bewijslast draagt. Daarbij gelden inmiddels diverse specifiek voor 10a ontwikkelde begrippen zoals de omleiding, de financiële spil, de parallellie, en het doorgeefluik. Ook gezien de diverse andere renteaftrekbeperkingen die de Wet Vpb kent, blijft het zaak om bij financiering nauwgezet te beoordelen of de rente fiscaal in aftrek kan worden gebracht.

Wil je meer weten, neem dan gerust contact op met ons of met je gebruikelijke Meijburgadviseur.

© 2026 Meijburg & Co is een Nederlandse maatschap van besloten vennootschappen, staat ingeschreven in het Handelsregister onder nummer 53753348
en is aangesloten bij de wereldwijde KPMG organisatie van onafhankelijke entiteiten verbonden aan KPMG International Limited, een Engelse private company limited by guarantee.
Alle rechten voorbehouden.